Queeste: vind de wereld buiten het raster

(1 januari 2008) Eindelijk ontdekte hij dat de wereld die hij zocht, de wereld was buiten het Raster (huizen, wegen, kanalen) en die hij kon vinden door beoefening van natuurlijke vormen van bewegen, in het schilderen van een oude kromme boom in een vlammend mystiek licht, in het zitten op een heuveltje en daar eindeloos oefenen met een mondharmonica, in het doen dansen van penselen over doek of papier, of in het dansen van voeten, met melodieën, met de gedachtenvormen in zijn eigen hoofd.

In het vol overgave bestuderen van een menselijke hand en het beeld met al zijn vezels te voelen, het in te drinken, er een mee te worden en hierdoor tot een levendige en hoogst persoonlijke en voldoening schenkende weergave ervan te komen- dat zou leven heten.

Tot zichzelf komen betekende dan niet de starre zelfverplichting van in een lotushouding hetzelfde behang dag in dag uit te bestuderen, maar eerder een plek te zoeken en daar iets mee te doen waardoor piekeren een totaal irrelevante activiteit werd. Liefst zou hij in een tent wonen, een Maya-hut, of een joert of tipi, om te luisteren naar het lied van de Toornige Wind, zo ver mogelijk van al die strakke zakelijke vormen, niet als ontsnapping want hij wist ook hoe hij daar kon overleven, maar als een plek vinden waar hij zich in overeenstemming kon voelen met zijn omgeving.

Zelfs de omgang met mensen kon daarmee samenvallen, maar pas in een meer gevorderd stadium wanneer hij een nieuwe, meer ontspannen houding ook dan wist te handhaven. Voor het zover zou zijn, haakte hij veelal naar plekken waar hij zich kon opladen zoals een zandverstuiving, een heuvel, een bundeling van paden bij een stokoude boomgroep. Daar dan achteroverliggend in de geurige struikjes het woeden der gehele wereld in wolkenvormen voorbij te zien trekken, en zich jong te voelen en tot alles in staat. Tegelijk ook hier, juist hier, niet gestoord te willen worden en op die manier meer de aard van een ree aan te kunnen nemen dan van een mens. De ree als een dier dat solitude verkiest boven het gezelschap van welk mens dan ook. Zelfs een ree zou een uitzondering durven maken als mensen klanken konden voortbrengen die muzikaal maar onnadrukkelijk waren en daarmee een met de klanken van wind en water.

Pas drie à vier jaar na vestiging in dit dorp aan de voet van een beboste heuvelrug, kon hij ten volle ontsluieren wat hem daar zo aantrok. Galsan Tschinag, een in Duitsland wonende schrijver van Mongoolse afkomst, schreef Het Lied van de Toornige Wind, over hoe hij als enige telg van zijn familie geroepen werd zich als sjamaan te verbinden met zijn voorvaderen. Dit boek las hij uit en daarna wilde hij erop uit trekken met mondharmonica of schildersezel, of beide.

In de week vakantie die voor hem lag, kon hij misschien ontdekken hoe dicht de de creatieve bronnen die hij zocht, direct onder de waterfilm van zijn dagbewustzijn lagen en hoe gemakkelijk hij die kon aanboren. Want deze mens had maar twee opties: zich uiten of zich nietig voelen. Middelpuntvliedend vanaf de centra der beschaving wilde hij ver daarvandaan zijn eigen middelpunt vinden.

Tags: , , , | Plaats een reactie

Au coeur de Liège

Van jongsaf verzet ik mij tegen alle inwijdingsriten. Dat zit zo diep en reikt zo ver, dat ik ook mijn vijftigste verjaardag ver van alles en iedereen wilde vieren. Alleen met mijn vriendin, natuurlijk niet getrouwd want ook dat is een inwijdingsrite, en met mijn twee kinderen, niet gedoopt, gingen we het vieren in de meest dwarse stad van België: Luik.

Au Coeur de Liège heette ons onderkomen, een haast onmogelijk smal en hoog zogenaamd lofthouse, vier verdiepingen die onderling verbonden waren met luiken en scheepstouwen langs steile ladders. Op mijn verjaardag, de vijfde februari, viel de koudste dag van 2012. Het was -15 Celsius en we zagen de ijskristallen zweven in een doorschijnend blauwe, van metalig licht doortrokken lucht.

Van lakens, lappen en ander knutselwerk hadden mijn drie dierbaren in au coeur de Liège toch iets Abrahamachtigs in elkaar geflanst, maar heel lief en complimenteus, in de verste verte niets van dat afzeikerige van andere Abraham-ongein.

Omdat het recht uit hun hart kwam, was hun kunstwerk origineel en hartveroverend- een ensemble van noodgedwongen slordig opgehangen doeken vol spreuken en tekeningen die me deden glimlachen.

Na een liefdevol ontbijt beklommen we in de ijzige kou de Luikse citadel, helemaal naar boven over de langste trap van Europa. Hoog boven ons konden we het ijs in de hemel haast horen rinkelen- Aeolus die op de drempel van het gehoor onophoudelijk bleef rinkelen met harpen en snaren van transparant kristal.

Wij vierden het allemaal heel klein en fijn, door niemand opgemerkt dan onszelf, afgezien van die ene onberispelijk geklede Luikse heer die ons een welgemeend ‘Welkom in Luik’ toewierp- een waar compliment om in je eigen taal toegesproken te worden in de meest Franse stad van België.

We dronken iets warms bij een café liègeois op de vlooienmarkt, tussen bevroren kazen en rillende poedels en onbekommerd wijn drinkende Luikenaren. Weinig verjaardagen zullen zo blijven hangen – een terloops feest à l’improviste dat zomaar geweldig werd zonder dat iemand er erg in had.

Plafondschildering in Muséé Curtius in het hart van Luik

Tags: , , | Plaats een reactie

Bij de sluiting van juni

Halverwege de junimaand mocht ik samen met twee IVN-collega’s een groep van dertig kinderen door Huis te Maarn gidsen tijdens een diersporenexcursie. Om het zoeken te vergemakkelijken had ik een tiental dieren en hun sporen geportretteerd. Mijn tekeningen werden gebundeld in een boekje dat op algemene instemming mocht rekenen. De kinderen van de scouting waren wild enthousiast over de speurtocht en de leiding wil zeker vaker met ons op stap.

Hierbij een van mijn tekeningen. Meegesleept in het enthousiasme over wat ik zoal uit pennen, penselen en stiften laat vloeien, kreeg ik bij wijze van vaderdagcadeau een ingelijste versie van het volgende fictieve portret.

De overgang naar de julimaand verloopt via een hittegolf waarin ik mij niet overmatig zal inspannen.

Dit is echter de laatste gelegenheid om in juni 2025 van mij te laten horen, dus ik citeer hier vrij uit een van mijn nooit gepubliceerde teksten:

Waarde lezer,

Kent gij Gandalfs uitspraak: Thou shalt not pass here? Het prometheïsch verstand, ijdel als offerhonden van stro, dat vergeefs de elfenkring tracht te breken, of de heksenkring. Er is een domein waar de analytische rede nooit kan komen. Er zijn poorten die voor de categorische imperatief voor altijd gesloten zullen blijven. Dit is wat in een oud boek de Paarlen Poorten worden genoemd. Dit is het codeslot dat alleen zichtbaar wordt voor wie het aanraakt met het magische zwaard, dan opent zich de Opaalburcht of Asgaard…de zo imponerende bouwwerken van ‘reines vernunft’ en menselijke ratio zijn steriele kubussen, nog geen plantje kan er ademen.

Als heilzaam tegenwicht citeer ik hier het gedicht Elfengoud en Dwergjuweel van ene H.F. Flippo:

Elfengoud en Dwergjuweel

1.Een arme boer volgde eens een elf/tot diep in zijn luchtig hoog gewelf/Het leek of de zon scheen, zo klaar en helder/Daar glom hem een schat toe in hemelse kelder.

De goudglans joeg hem het hart op hol/Met het bloed naar zijn konen en hoog in zijn bol./Geef het mij toch, riep hij fluks naar de elf./Die lachte, zei: ga dan, vlieg op, pak het zelf./Himmelhochjauchzend, in diepe extase/Was zijn thuisreis, maar ’t zal je verbazen.

Toen hij scheurend en trekkend zijn zakken ging legen/Kwam hij niets dan wat zand en wat modder tegen./’t Gefonkel had hem doen watertanden/Maar na poespas en heisa slechts lege handen./Dank u heer Elf met je eeuwige jeugd./In liefde’s klatergoud word je nimmer oud./Maar liever dat dan ’n geschenk dat niet deugt.

Liever had ik een glimsteen gemaakt met geduld/In de pap van het leven het zuiverste zout/En iedere kinderhand lustig gevuld.

2. Naburig boer, vriend van bomen en struiken/Kon alles wat leefde diep voelen en ruiken./Hij kende elk dier van haver tot gort/En zijn werk gaf hem daag’lijks een goed gevuld bord.

Hij kende elk blad en de naam van elk wolkje/Zelfs kende hij het dwergenvolkje./Die smeden en klieven met hak en houweel/En bewerken geduldig een steen tot juweel. Gastvrije attenties moest hij blijven verzinnen/Tot hij eind’lijk hun eeuwige vriendschap kon winnen.

En toen zijn verjaardag was aangebroken/Had een dwerg iets van glans in zijn broekzak gestoken./In een stuk perkament waarop stond geschreven:/Smeed een mooie juweel van dit kostbare leven./Je hebt hem niet zomaar, het waait je niet aan./Geen geld zo glanzend als elfengoud/Maar de betere vriendschap breekt schoorvoetend baan.

Soms als ’t elfengoud hem in dromen bezoekt/Pakt hij de steen die hij zo goed vertrouwt/En foetert op elfen, gij zijt ja vervloekt!

Geplaatst in Biografische schetsen, Filosofie, Folklore, Literaire onderwerpen, mythologie, Spiritueel, Verhalen | Tags: , , , , , , | 2 reacties

Vervulling

Sie ist vollkommen, schreef een Duitse bewonderaar eens bij het zien van de Christmas Special-video van een jonge Kate Bush. Het Duitse woord voor volmaakt. Volkomen kennen wij ook als woord; in het Nederlands betekent het volledig, zonder voorbehoud, alles bevattend en het is een mooi adjectief voor de volheid van Mei. Op dit moment van schrijven is het half mei, en de cascades van lyrische ontboezemingen die Herman Gorter in zijn onsterfelijke Mei over mij heen kan laten stromen, zie ik voor mij als ik door het bos naar huis fiets, zo glanzend fris en groen als alles nu is, ondanks het ontbreken van regen in dit misschien wel droogste voorjaar sinds 1976.

In de winter de hunkering, in het prille voorjaar het voorzichtig ontwakende verlangen en de hoop dat alles toch weer goed komt…. en nu is alles goed. Flora is hier en zij heeft het glinsterend en zonovergoten gewaad aan van het volle voorjaar. Wat moet iemand voor wie verlangen een tweede natuur is, op het moment dat de verlangens naar bloei en wasdom zijn vervuld, als de sapstroom op zijn sterkst is en niets de kracht van nieuwe jeugd en levenslust lijkt te kunnen wegnemen?

Iemand wiens psyche louter uit verlangen bestaat, zal eenvoudig verdampen, ophouden te bestaan op het moment dat zijn verlangen vervuld is. Het moment van goddelijk niets in de bijslaap kent iedereen, net als de reflectie daarna, variërend van eenvoudige, dankbare blijdschap tot lichte ontgoocheling of nuchterheid. Een sublieme maaltijd is genoten, een kostelijke roemer wijn is geleegd, het genot is geweest. We halen diep adem en zien de wereld met nieuwe ogen. Een vlinder sterft na het paren; een mens ontspant, wast zich en zet vroeg of laat lichaam en geest weer in beweging, een greintje ouder en een zandkorreltje meer ondervinding.

Op het moment dat Gorter de meimaand bezingt, zit hij te schrijven. Wie schrijft, plaatst zich buiten de realiteit van het moment, zoals bij alle activiteiten die bewuste aandacht vereisen. Hij deed drie jaar over het gedicht. Half november 1888 berichtte hij aan zijn vriend, de componist Diepenbrock, dat ‘het ding’ af was. Gorter heeft in de sombere november, wanneer de late herfstblâren je om de oren vliegen, het haardvuur moet branden en het al vroeg donker wordt, zijn ode aan de fonkelende Mei voltooid.

Als ik nu in Mei de Mei lees, ben ik niet echt de maand Mei aan het ondergaan omdat ik tekens decodeer om daarvan beelden te vormen die ik zelf construeer. Maar na het lezen krijgen de woorden die ik maak, misschien nog meer vleugels als ik daarna Mei in levenden lijve onderga.

Ik moet hierbij denken aan de bespreking van Ingeborg Bachmanns roman Het Dertigste Jaar, dat beschrijft dat het eind van de jeugd en het begin van de volwassenheid op je dertigste, je noopt tot verplichtende keuzes. Zo kun je het eind van mei, over een paar weken al, ook beschouwen als het einde van de jeugd van dit jaar en het begin van de periode van rijping, de zomer, waarin de nazomer de volle rijpheid is die geplukt kan worden.

Mei is de tijd van frivoliteit en spel, maar zoals Mary Poppins niet wilde dat je vragen aan haar stelde omdat dan de magie verloren gaat, mag je het kind Mei niet te veel analyseren in haar spel, je mag haar wel in verwondering aanschouwen. Als je haar vraagt waar haar dartele rondedans voor dient, zal ze als uit een droom ontwaken, enigszins schrikken en beschroomd haar spel staken. Het beste kun je stilletjes observeren en als je al conclusies wil trekken, laten die niet al te definitief zijn.

En om in het spel te blijven, citeer ik dit gedichtje van Simon Knepper:

Mei

Klein vogeltje zwierezwaait hoog in de lucht. Men hoort er zijn fluitertje schallen. Een vleugeltje links en een vleugeltje rechts, Om niet op zijn bekje te vallen.

3 reacties

Phitsanulok

Phitsanulok-Lampang, 30 juni 1997

Vannacht schrokken we wakker van een raar geluid. Mijn vriendin zei dat het een kikker was- achterin de tuin van het resort. In deze teakhouten kamer met uitzicht op het lantaarnverlichte natregenende gebladerte, denk ik aan De Stille Kracht en aan tropische spoken, maar op deze plek, waar je de hagedissen langs de muren ziet wegschieten als je doucht, besloot ik dat het een kikker was.

Vanochtend zagen we hem lopen, als het dezelfde was; zo vol gretig weggehapte vliegjes dat hij bijna op springen stond, waggelde hij de goot in. De eindeloze stortbui doet ons vrezen dat het regenseizoen nu tot volle wasdom is  gekomen, en dat juli/augustus te vroeg komt, wanneer het gestadige ruisen van de regen ook binnen alle vertrekken vult met onophoudelijk geritsel en gefluister. Wellicht is  dit de tijd van vertellingen, van duistere dagen vol geestverschijningen, waarin je weinig toeristen ziet en het land zichzelf wordt.

Zojuist waren we getuige van de nasleep van een treinongeluk. Eerst twee uur wachten op een slaperig dorpsstation. We stapten uit om de benen te strekken in Ban Bin, een gehucht omgeven door steile heuvels vol hoog opgeschoten struiken en een aardig stationnetje met bloempotten en rommelige eetstalletjes.

Deze weken gaan we nergens heen; we zien alleen maar treinen en hotels. Film, theater, dans of musea komen we op deze route niet tegen. Het heeft in korte tijd en voor korte tijd van mij een grotere voetballiefhebber gemaakt dan ooit. Vlakke rijstvelden en betonnen weggetjes alom en steeds maar weer die chedi’s (puntig toelopende boeddhistische monumenten, als gouden reuzenhoeden) en boeddhabeelden, en overal mensen die een taal spreken waar ik in dit stadium van mijn reis nog geen touw aan kan vastknopen. Het WK voetbal daarentegen is overal beschikbaar, begrijpelijk en levend vermaak, binnen en buiten in alle publieke gelegenheden te volgen vanaf grote televisieschermen.

De schaarse Nederlandse Wereldradio is er dan nog, en wat meegebrachte boeken. Ziehier het isolement voor wie geen Thai spreekt. Weldra heb ik mijn eerste boeiende Thaise ontmoeting na Noi. Noi was onze uitstekend Engels sprekende gids in Kanchanaburi. In Chiang Mai moet het gaan gebeuren.

(Dit is een fragment uit een onlangs teruggevonden reisjournaal van dezelfde reis die beschreven is in mijn boek Van het Pad. Incidenteel zal ik dergelijke fragmenten publiceren) 

Plaats een reactie

Kleine bloemlezing van het prille voorjaar

Gelukkig is het weer maart, voorbij is februari! ‘Dagen van (….) hagelbuien, (…) tegenspartelen en van verbruien. Ikzelf een weerhaan, lustobject voor winden, die in hun wreed verdrijf voldoening vinden. Ik arme dwaas en zorgeloze dromer. Was ik dan niet bedoeld voor middenzomer? Natuur heeft zich in ’t seizoen vergist. ’t Spoor bijster in de februarimist.’ (Uit een gedicht van Cita Golterman-Van Dijk)

Astronomisch gesproken is het op 12 maart nog winter. ‘O bleeke winter’ van Hélène Swarth (1859-1944) draagt die winterstemming met verve: ‘Je droevige, befloerste glimlach wil niet vluchten- met je zwarte bomen en grijze luchten.’ Ze wil geen ‘blijde blauwe hemel vol aroma’s van loof’ ‘gezoef van vleugels’. Ze is bang voor ‘zoele lentezuchten’ en vraagt of de stille winter nog even wil toeven. ‘Klop aan mijn ruit met koele regendroppen’. Want ‘april wil enkel tergen, wen open springen al de lenteknoppen’. Ook droevig is ‘Winter-akoniet’ van Werumeus Buning. In het ‘bittere voorjaar’ komt dit bloempje, ‘winterkind dat geen ijs en sneeuw vreest’ steeds als eerste op. Hij ziet een diepe wijsheid in dat altijd weerkeren, elk voorjaar, op het graf van zijn geliefde.

‘Wat sleet men ’t leven wel te pas, toen ’t altyt lente was!’ verzuchtte Poot in de 17de eeuw. Maar dan: ‘Vulkaen zij elk in dezen tyt, Ten huisgodt ingewydt. O vrienden, houdt u toch verborgen. Eet vleesch, drinkt ouden wyn, en laet den Hemel zorgen.’

Miriam van Hee, ‘Ingesneeuwd’ (1984): ‘Is dit de lente denkt ze dan- nee, dit is een raam vol uitstel waarin straks tussen drie en vier het sneeuwen weer begint wanneer niemand eraan denkt en veeleer het tegendeel werd verwacht’, maar ook ‘de lucht al zenuwachtig en dooi in de grachten’ Want verwachting is alom in deze tijd van het jaar.

‘Wat zijn ze schoon, de schemerige dagen die niet meer grijs en nog niet parelmoer zijn durven, alsof er een lichtschijn voer door een groot ademen, dat met zijn vlagen van ijle blankte langs ons henenstrijkt, en even staat en langzaam witter wordt, en ’t effen grijs doet glinsteren- en wijkt. De tuinen doen nog niets dan ademhalen, maar diep en zwaar, alsof er reeds een dwalen van wakker wezen in hun slaap begon, alsof er reeds bewegen en een kantelen in aangevangen om naar ’t licht te wentelen, in een zeer zoeet vermoeden van de zon. (Willem de Mérode, uit Voorjaarsverwachting)

‘ik hield mijn liefste deze winter over als een plantje dat de zon behoeft.’ ‘Als ik het tot Mei red, zal zij bloeien met de appelbloesem.’ ‘Verleden jaar Augustus was zij als een ree dat sprongsgewijs veranderde in mijn geliefde. Ik neem haar deze zomer weer naar buiten mee.’ (Kees Winkler)

‘In die stille grond bewegen zich vermoedens, ingeplant door een trefzeker dichtende hand. Er zal weer bloeien zijn, een groene brand die alles tot as van voorbij zal schroeien wat winter was en koude stervensangst. (Guillaume van der Graft in ‘Na de winter’)’

..de mussen in de bomen piepen al met luid misbaar, en de fijne katjes komen reeds aan wilg en hazelaar. ’t Is al maart, de dagen lengen en de zon begint alvast, op de wei wat kleur te brengen met een lichte schilderskwast.’ Met af en toe een winterse bui’ (Jacqueline van der Waals, uit ‘Maart’).

‘De bomen dragen boezelaars, ook alle vingerdunne bomen. Het heeft gesneeuwd. De dooi zal komen. ‘ Een boezelaar is een schort. ‘Onder hun schorsen worden voor de grijze dichtvertakte kronen kaarsen gegoten, witte en roze kleuren gemengd op houten tafels, nerven getekend- onder hun vel tiktakt hun zenuwgestel’. (J. van Geel, Pril Voorjaar)

Pierre Kemp zat ‘in Maart-geel licht te denken’ toen een fraaie observatie hem binnenviel: Álleen een vogeltje met blauwe schoenen van zijde met zilveren gespen op klimt langs de waaiers nieuwe groenen en zwaait zijn rank muziekje uit zijn kleine kop. Zijn vlaggetje klank is zo zijn eigen feest.’ (uit: Half vijf en nog geen gedicht)

‘Een lam- een edelsteen- een kind- Een bootje in de Maartse wind'(uit ‘Bootje’ van Jan Hanlo)

‘Als ons onsteet die merte verquicken alle dinghen ende alle crude ontspringen ende werden sciere groene'(als Maart aanbreekt en alle dingen tot leven worden gewekt, de kruiden ontspringen en alles wat grijs was, groen wordt…) Van Hadewijch ,13de eeuw.

Dit is zo’n dag zoals Augusta Peaux die beschrijft in ‘Maartsche Regenwolken’ rond 1923: ‘Mijn looden wolken smeedde gouden randen een zonnig uur, de staaf op ’t aambeeld gloeide in zijn handen en kromde in ’t vuur. Zijn slagen vielen licht en ’t spatte vonken in wijden kring, en om mijn looden wolken werd geklonken de gouden ring.’

Tags: | Plaats een reactie

Winterspin

Hieronder op de valreep van februari 2025, mijn enige blog dat ooit uit deze maand op Zilvervis gaat verschijnen. Ik noem het zo omdat ik ook in deze maand geen dagboek heb bijgehouden- een weblog zou dat kunnen zijn. Niet dat ik niets bijzonders heb meegemaakt, verre van dat. Of is het dat ik in de februarimaand in de regel wat minder reden tot juichen heb dan in maart of april?

Lees verder: Winterspin

In elk geval geloof ik niet dat wij mensen gemaakt zijn voor de winter, niettegenstaande het gejuich over ijspret als het eens een nacht heeft gevroren in de Nederlanden en vrijwilligers hebben doorgehaald om een centimeter ijs op een asfaltbaan te krijgen, waarna hele horden dolenthousiast enkele uurtjes het weer aan gruis kunnen rijden.

Deze maand was het meen ik twee keer raak op het ijsbaantje in mijn woonplaats- de eerste keer voelde ik me zo behaaglijk in mijn cocon dat ik me tevreden stelde met de zonnestralen die vanuit de kraakheldere en ijskoude lucht onze huiskamer binnenvielen. De tweede keer wist ik dat de baan open was en ik had toevallig geen dringende zaken omhanden. Maar er stond een snijdende oostenwind. Ik herinner mij zulke dagen- hevig rillend arriveerde ik aan de rand van het ijs waar steevast een uitgelaten stemming heerste,

Wat niet bijdroeg aan mijn ijspret is dat ik hoge Noren uit 1974 gebruikte die mijn zwakke enkels geen enkele steun boden en die alle kou onbelemmerd door lieten. Ik gooide ze niet eerder weg omdat ik het een soort van sportief vond dat ik als bijna de enige op die ondingen bleef schaatsen. Het lukte me alleen door de veters heel stijf aan te trekken. En natuurlijk, nadat ik door al deze stadia was gegaan, was het best even leuk en ik werd er zowaar een beetje vrolijk van. Vooral het vooruitzicht op koffie en chocolademelk, en een snee ontbijtkoek met boter erbij- in de kantine van de ijsvereniging die altijd strak en ongezellig ingericht was, maar waar – zeldzaam -de momentane pret van de zeldzame schaatsochtend dit even overstemde.

De ritjes die ik in de omtrek maakte om hier en daar een uurtje les te geven aan huis, deden mij in januari en februari minder plezier dan in alle andere maanden, nog los van de temperatuur. Misschien omdat het mij in deze maanden moeilijk valt om het wenkend perspectief van het toekomend voorjaar al te ontdekken- het is allemaal schraal en naar en somber wat de klok slaat, al weidt mijn blik dan toch nog incidenteel hunkerend tussen wolken door waar een fraai atmosferisch schijnsel de aanwezigheid van een zon vermoedt.

Het zijn maanden van schaduwen en schimmen, van vage lichtpatronen op grassige paden, van verre dromen die me diep de koude lucht doen inhaleren. Is het leven of overleven? De gedichten op de scheurkalender die ik nu eens niet ga citeren, anders wordt het te gewoon, leken niet gemaakt om moed in te spreken.

Om met Procol Harum te spreken, ‘the milk of human kindness’ is denk ik wat ons de winter door helpt. En heerlijk eten, hilarisch theater, onderhoudende films, betoverende muziek, fameuze belletrie…deze zwanenzang van februari laat wel degelijk lichtpuntjes zien- een spinnenweb van een dappere arachnoïde die zich na de schaarse zonneuren zich uit lijfsbehoud weer in zijn holletje moest terugtrekken, maar zijn web hing er, onbetreden door insecten, kunstzinnig in zijn nutteloosheid.

Leed heeft de neiging aan ons te blijven kleven, geluk is vluchtig en efemeer, als dauw in zonlicht. Of als een loos spinneweb in februari….

Geplaatst in Overig, Zilvervis | Tags: | 2 reacties

Ik schrijf, dus ik ben (Ruminatie van een wandelaar)

Je schrijft niet meer, hoor ik vaak. Of: je schrijft zo weinig, waarom? Lijd ik aan een writers block? Nou nee, want hier is toch een nieuwe blogpost? Echter, mensen die mij kennen, verwachten meer van mij dan dit. Momenteel is dit echter wel een van de weinige podia van mijn levend schrijverschap. Dit waakvlammetje is over na een zeer productieve periode die onder andere leidde tot het schrijven van honderden artikelen en twee boeken. Schrijven vereist naast vele andere kwaliteiten, vooral de wil om iets zwart op wit te krijgen. Die laatste is met het lengende licht weer aan het groeien. Ik verlaat dit pad, klop de modder van mijn schoenen, doe mijn jas uit en zet mij achter de laptop.

Lees verder: Ik schrijf, dus ik ben (Ruminatie van een wandelaar)

Mijn vrienden- en kennissenkring, mijn familie verwacht romans, gedichten, korte verhalen. Wat zij verwachten kan ik. Romans, gedichten en verhalen van eigen hand liggen zelfs in mijn la, Maar ik vind het niet af genoeg om ze nu al (na tien? twintig? dertig? veertig jaar?) het licht te doen zien. Natuurlijk een smoes om er niet echt mee aan de gang te hoeven gaan. Want als ik het waardeloos had gevonden, was het allang in de prullenbak beland. En ik vind bijna nooit iets af, ook deze tekst niet.

Dit gezegd hebbende, liggen mijn juwelen in (eeuwige staat van) wording nog altijd diep weggeborgen in mappen, achter plankjes, in kasten. Sommige teksten haal ik na een vluchtige inspectie in allerijl uit het stof tevoorschijn omdat de woorden beginnen te vervagen. Weinig is erger dan fraaie teksten die voor alle eeuwigheid ongelezen verdwijnen omdat ik verzuimde, ze tijdig over te schrijven.

Onder het kopje ‘Bijna weg’ wist ik ze ternauwernood te redden. Het was het waard, want ze bevatten zeker waardevolle elementen, net zoals ik uit oude schoolschriften mijn tekeningetjes knip en bewaar, want ze inspireren mij tot grotere tekeningen.

Ik heb veel meer geschreven dan wat de wereld van mij ziet; om uiteenlopende redenen zag ik altijd af van publicatie. Maar wat houdt mij tegen? In het pre-internettijdperk was publiceren onmogelijk, soms ook als je het graag wilde, want als je niemand kende die je op publicitair gebied kon helpen , hield het op. Of je moest zelf A4’tjes willen kopiëren van bundels bijeengehouden met een nietje die door het van hand tot hand gaan al snel onooglijke vodjes werden die je bij een sjofel kraampje kon gaan aanprijzen, of op een tafel tijdens bruiloften en partijen bij buren, vrienden en familie.

Gelukkig zijn de tijden veranderd. Ik heb een blog tot mijn beschikking waar ik héél theoretisch gesproken de hele wereld mee kan bereiken via het wereldwijde web. Ik zou dus zonder problemen dagelijks of vaker hier een publicatie het licht kunnen doen zien. Waarom gebeurt dit zo weinig?

Ik weet geen eenvoudig antwoord op deze vraag. Wel kan ik wat achtergronden schetsen die misschien enig licht werpen op de kwestie. Officieel publiceerde ik tot nog toe twee boeken: Esoterie in Begrijpelijke Taal en Van ’t Pad. Beide ontvingen lovende recensies, maar er werden weinig verkocht.

Ook ben ik bejubeld als schrijftalent, als iemand die het ver zou kunnen schoppen. Aan verwachtingen moeten voldoen, kan werken als een rem maar in mijn geval is dat flauwekul, want niemand zit mij op mijn huid en mijn situatie is onvergelijkbaar met die van een bestsellerauteur wiens uitgever hem voortdurend vraagt wanneer zijn nieuwe boek klaar is.

Onstuitbaar enthousiast kan ik aan het werk gaan, tegelijkertijd weet ik altijd direct een excuus om te stoppen. Zo schep ik mijn eigen moeras. En nee, ik laat de pen niet rusten omdat het winter is en bewolkt, want als de zon schijnt zeg ik: wat een mooi weer, zonde om binnen te gaan zitten schrijven.

Er zijn altijd redenen om niet te hoeven schrijven.

Er zijn altijd redenen om te schrijven.

Toch zoek ik een antwoord op mijn vraag. Een koffie en een klein uur verder, schiet het mij ineens te binnen. Sleutel is de titel van de bloemlezing al bleef ik eeuwig ongelezen. Hij bevat teksten van dichters die de Beweging van Tachtig (1880-1890) meden of bestreden. Zij waren of raakten uit de gratie van de waan van de tijd, toch schreven ze en publiceerden ze.

Al blijf ik eeuwig ongelezen…

Plaats een reactie

Poëzie op een winterdag

Hoorn des Overvloeds, © H.F. (Frank) Flippo 2025

‘Wat woorden al niet kunnen doen” zei een vriend eens vol verbazing toen ik hem ‘De Betoverde Bruidsnacht, een schimmenspel voor stemmen’ liet lezen van Jacques Hamelink. ‘De Droom van de Poëzie’ is een ander werkstuk van deze fantastische schrijver die ons helaas is ontvallen. De Betoverde Bruidsnacht is een theaterstuk met raadselachtige inhoud; een mengeling van een heksensabbat en een trouwerij met in de hoofdrol de oude en tandeloze Elvira Serafina Hunnebed. Een werk zoals er maar één keer een gemaakt wordt. Deze tweede blogpost van 2025 gaat over de betovering die woorden kunnen oproepen en die eigen is aan poëtische taal en aan dichtkunst.

Lees verder

Plaats een reactie

Les temps s’ écoule…

(Door Frank Flippo)

Tot mijn verbazing ontdek ik dat dit blog sinds 11 april 2023 heeft gezwegen. Creatieve ingevingen deelde ik sporadisch op Facebook en Quora, terwijl zilvervis.net toch mijn eigenste kanaal zou behoren te zijn. De laatste nieuwe post was de aankondiging van een door een derde gegeven en door mij georganiseerde workshop. Het laatste persoonlijke stuk is nog langer geleden, van 7 september 2022, over het plan honderden bomen te kappen bij Huis Doorn, dat ik met vele anderen wist te verijdelen maar waaraan deze woorden toch zeker zullen hebben bijgedragen.

Blog, ik heb u verwaarloosd. Mijn nederige excuses en ik ga mijn leven beteren.

Lees verder

Plaats een reactie