
De revolutie is nog steeds overal in Cuba, ook in het rustieke Viñales dat een museum heeft gewijd aan haar strijdbare inwoner, de onafhankelijkheidsstrijder Adela Azcuy Labrador (1861–1914). Belangrijk om te weten is dat het Cubaanse communisme van begin af een sterk nationalistische kant heeft gehad, vandaar dat Cuba alle onafhankelijkheidsstrijders eert. Voor Cuba is de onafhankelijkheidsstrijd van Spanje tot aan het Cuba van nu één vloeiende lijn. Amerika heeft de afgelopen honderd jaar de plek in genomen van de oude erfvijand Spanje. Voor Cuba is het dezelfde koek: een grote, imperiale macht die probeert Cuba klein te houden en klein te krijgen. Dat anti-imperialisme is zo diep geworteld in Cuba, dat haar vijanden weinig kans te maken ooit vaste voet te krijgen op het eiland, hoe ze ook hun best doen.
Dus zo belanden we ook in Viñales in een van de vele politieke musea die het land rijk is. Hier is het een klein gebouw, maar wel prominent tegenover het grootste hotel. Zoals veel andere politieke musea is het eerder een documentatiecentrum. Het trekt veel bezoekers die aandachtig de lessen in zich opnemen die een medewerker aan hen staat te verkondigen. Het gezag van de spreker en de eerbied van de luisteraars doen denken aan dat van een dominee en zijn gelovigen. Het is al vaker gezegd; nationalisme en communisme zijn magere substraten van echte religie maar in omgangsvormen en mysticisme is het nog steeds een soort godsdienst. De goden hier zijn de Cubaanse vlag en de communistische leer. Overigens is alles in het Spaans, wat misschien een gemiste kans is als je bedenkt dat zo goed als alle buitenlandse toeristen Viñales bezoeken.
Adela
Azcuy was verpleegkundige, dichter en activist tijdens de Cubaanse onafhankelijkheidstrijd en ze was onverzoenlijk anti-Spaans, hoewel van zuiver Spaanse afkomst. Zelf was ze geboren in Viñales maar haar echtgenoot kwam uit Spanje en was tegen de onafhankelijkheid, voor Adela reden om van hem te scheiden. Ze viel op door haar moed en onverschrokkenheid. Waar bijvoorbeeld veel verplegenden en artsen zich tijdens oorlogshandelingen terugtrokken, bleef Adela ook in de frontlinies gewonden verzorgen. Haar tijdgenoot generaal Lorente beschrijft hoe zij in 1897 bij Las Cañas midden in een kogelregen van haar paard steeg om een soldaat te redden. Ook bij andere veldslagen, in totaal 49, bleef ze onder zwaar vuur doorgaan met werken. Als dank werd ze bevorderd tot de rang van kapitein, uitzonderlijk voor een vrouw in die tijd. Ze weigerde na de onafhankelijkheid een hoge erfenis van een Spaanse bewoner die deze haar uit bewondering wilde nalaten. Haar commentaar luidde: “ik wil geen enkele centavo die naar Spanje ruikt.” Jarenlang diende ze onder generaal Maceo. Op zijn dood schreef zij:
En vandaag, in de mist die uit de graven ontspringt,
boven de exacte plek van de strijd,
lijkt het mij nog steeds alsof hij beweegt en zweeft!”
De bomen vormden zijn loopgraven,
die zich bij zijn mars weefden tot een geheel,
waardoor een paviljoen van klimplanten ontstond.”
En met de klank die de beek creëert,
en die zich verbindt met de zang van de vogel,
zweeft een triomfantelijk ochtendbriesje door de lucht…”
Cuba bezit veel andere kwaliteiten die door de focus op politiek wel eens onderbelicht worden. Zo was er in Viñales een volkomen apolitieke man, een Chinese Cubaan met de naam Miranda, die in 1918 de immense taak op zich nam om alle inheemse planten van Cuba te verzamelen in de grote tuin van zijn huis. De taak bleek te omvangrijk om in één mensenleven op te lossen. Zijn dochters namen na zijn dood de taak van hen over. Ook zij zijn inmiddels overleden maar de tuin is nog steeds in handen van de familie. We wandelen hier dus door het levenswerk van drie generaties.
De tuin is erg vol en niet bijzonder overzichtelijk; lang niet alle planten hebben labels of een toelichting. Vermoedelijk hangt dit samen met een verdienmodel; tegen betaling kan een medewerker je die toelichting geven op een rondleiding door de tuin. Voor ons is het een kort uitstapje, dus we wandelen kort rond om ons te verbazen over de diversiteit van het eilander plantenrijk.
Een van de meest bijzondere soorten is de uiterst zeldzame kurkpalm (Palma Corcho) die geen palm is maar een levend fossiel zoals de boomvarens op de Azoren of de drakenbloedbomen op Socotra. Zulke planten uit vervlogen tijdperken overleven alleen in een geïsoleerd biotoop. Dat biotoop is voor de kurkpalm goeddeels verdwenen en dat is de reden dat het er voor hem zo slecht uitziet. Hij vindt zijn oorsprong uitsluitend in de provincie Piñar waar Viñales ook onder valt. In datzelfde speciale microklimaat dat hem voortbracht, kan de meest aromatische tabak ter wereld groeien. Zijn biotoop is dus veranderd in tabaksplantages. Wat ook niet helpt is dat de kurkpalm de panda onder de planten is. Waar een panda maar sporadisch wil paren, wil bij de kurkpalm tegenwoordig nog maar 1 procent van zijn zaden ontkiemen.
The fruit lady

Negentig jaar lang verzamelden de zusjes Caridad en Carmen Miranda planten en bouwden een encyclopedische kennis op over medicinale eigenschappen, fruitbomen en specerijen. Tot ver in de tachtig leidde ‘the fruit lady’ Caridad bezoekers rond. De zussen Miranda hingen afgesneden poppenhoofden en oude barbies in de planten, die dan weer overwoekerden; op een bezoeker kan dat griezelig overkomen maar zij vonden dat mooi en een goede vorm van recycling. De tuin van nu heeft ruim 190 plantenvariëteiten. Er vliegen veel kolibries rond. Poppenhoofden en barbies zagen we niet.
We vinden geen luierplekken waar je goed kunt afkoelen, dus verkennen we per taxi de resterende valleien, om te beginnen de Grot van de Indiaan. Hier woonden mensen die behoorden tot de oorspronkelijke bewoners van Viñales, het primitieve indianenvolk de Guanahatabeyes. Het waren jagers en verzamelaars die in grotten of zeer eenvoudige hutjes woonden en alleen primitieve werktuigen gebruikten. Later werden ze verdrongen door de meer geavanceerde en kunstzinnige Taino-indianen. De Cubanen houden van hun Indianen ook al zijn ze vrijwel verdwenen. Om hun herinnering levend te houden hebben ze op veel plaatsen standbeelden neergezet; in het centrum van Viñales bijvoorbeeld staat een sympathiek beeldje van een onmiskenbaar Indiaanse vrouw met haar kind.
Om de ingang van de Gruta del Indio zitten aangroeisels van toeristenwinkels. We kopen een ticket voor de boottocht door de grot. Daarna probeert een vrouw met gidsenlogo nog een fors extra bedrag te incasseren. ’Dat is verplicht.’ Maak dat de kat maar wijs. We lopen verder zonder dat ze protesteert. De wandeling voert langs met kunstlicht geïllumineerde rotsen, daarna varen we een stukje onderaards richting het daglicht waar de tocht eindigt; een recept identiek aan de Grotten van Han.
Verderop is een bergwand beschilderd met een soort stripverhaal over de wording van de Cubaanse mens van aap tot Cro-Magnon tot voorbeeldig staatsburger. Een opzichtig werkverschaffingsproject geïnitieerd door Castro. Bezoekers roemen vooral het uitzicht vanaf de top. Al te grote hitte berooft ons van elk initiatief. Misschien dat een goede maaltijd helpt.
Daarom bezoeken we tenslotte een hoog gelegen restaurant. Finca agroecologica el paraiso heet het. Vanaf de terrassen zien we boeren ouderwets aan het werk met sikkels en ploegscharen op velden in honderd tinten groen. Alles wat dit restaurant serveert, komt daar vandaan. Groepen Amerikaanse en Europese toeristen zitten er allemaal precies hetzelfde te eten.
Huis van de Zeven Winden zonder wanden

Terwijl we plaats nemen aan de tafel waar we heen zijn gedirigeerd, krijg ik het koud. Er waait een continue tocht en de wanden staan aan alle kanten open hier in dit Huis van de Zeven Winden zonder wanden. I don t want to spoil the party so I go. I don’t want my disappointment to show…O nee dat kan niet want we zitten in hetzelfde taxischuitje. Ik heb geen trui, dus wikkel ik mij in de omslagdoek van mijn vriendin. Dat wekt hilariteit… natuurlijk moet ik op de foto, liefst met een gulle lach. Die komt niet want ik voel mij hondsberoerd van de verkoudheid. Intussen komt de eerste gang er aan. De rijst met bonen en groenten zijn lauw. Niet alles is gaar en het vlees is droog en taai. Koffie schenken ze niet, wel ‘natuurlijke thee’. Dat zijn schijfjes citroen in lauw water. Het dessert bestaat uit mierzoete mangopuree met een soort geraspte Goudse jonge kaas erover.
Na nog een broeierige nacht verlangen we naar onze volgende bestemming, want die ligt aan zee. Onze chauffeur staat al vroeg klaar, rond half acht. Hij is een kleine forse man met hoge jukbeenderen, dicht bij elkaar staande blauwe ogen en een imposante kaaklijn. Door zijn ruwe uiterlijk associeer ik hem met geweld. Misschien unfair om zo te denken, maar wel zie ik hoe de mensen die hij aanspreekt, erg behoedzaam reageren en zo respectvol mogelijk. Misschien vergis ik me. Hij heeft in ieder geval een goed humeur en genoeg te vertellen, zeker als we opnieuw Piñar del Rio passeren. Ik begin over de sigaren die we hebben gekocht. Hij schiet in de lach. “Dat noemen wij boerensigaren! “
“Die hebben ze met de hand voor jullie gerold toch?” Ik knik. “Van tabak die op de eigen boerderij groeit?” Inderdaad. “Ze gebruiken de mildere bladeren. Goede sigaren worden mild door een lang rijpingsproces. Met die bladeren hoeft dat niet. Ze maken er jonge, merkloze sigaren van met weinig nicotine. De beroemde mildheid van de topsigaren komt door een lang rijpingsproces. Bij boerensigaren is het dekblad soms ongelijk, dan heb je geen mooie sigaar. Soms is de tabak van binnen onregelmatig verdeeld. Hierdoor wordt de ‘trek’, de luchtstroom die ontstaat als een sigaar brandt, soms te los of juist te zwaar. Ze kunnen ook goed gerold zijn hoor.”
“Maar de beste worden hier gemaakt, rond Piñar! Hun tabak telen ze in andere microregio’s hier in de buurt, zoals San Luis en Juan Martinez. Alle bezoekers gaan naar Viñales, maar de beste tabak ter wereld groeit hier, met het rijkste aroma. De plantages staan onder streng staatstoezicht, toegang is hier moeilijker. Het heet Vegas Finas de Primera (tabak van de hoogste kwaliteit) en die verwerken ze in merken als Cohiba (van Castro) en Montecristo. De bladeren ondergaan een nauwgezet rijpingsproces van maanden tot jaren. Zo ontstaat die complexe, zachte smaak.’
We zijn er even stil van. “Maar geniet van jullie sigaren”, lacht onze chauffeur, “die zijn ook lekker”. Ineens schiet mij een winkel te binnen in Havana. Een chique tent waar alles glom, met sigarendozen zo mooi dat je die zou willen uitstallen. Overal etiketten van echtheid, vergulde labels en wat al niet meer. We kochten ze niet, want zoveel wilden we niet betalen voor sigaren al zijn ze nog zo lekker. Maar nu wisten we zeker waar je de beste sigaren ter wereld koopt.
















