
Onze gids Ramón, die ons in de ochtenduren door de stad loodst, moppert over Cuba’s braindrain. Alle jonge artsen en technici in Cuba ontdekken dat hun loon overeenkomt met dat van een straatveger en dat ze in Amerika honderd keer zoveel kunnen beuren. Zodra die kennis is ingedaald, zijn ze vertrokken.
Je blijft niet ergens wonen alleen omdat er mooie huizen staan. Het is wel waarom je een stad wil bezoeken en zeker Havana: fantasievolle gevels in Caribisch roze, geel en blauw met wit houten kantwerk langs de kroonlijsten. Belle Époque- architectuur die voor het bewind mooi meegenomen was nadat rond 1989 de Sovjethulp instortte. Toerisme werd een nieuwe goudmijn, want het hele land staat bekend als uiterst fotogeniek. Toeristendollars en euro’s hielpen Cuba de crisis uit, al werd het niet meer zo prettig als toen.
Tegenwoordig (2026) wordt het nog minder prettig, de huidige Amerikaanse regering heeft met haar keiharde beleid Cuba in een diepe crisis gestort. Het land heeft bijna geen brandstof meer en kan haast niets meer importeren. Toeristen blijven weg, want want wie wil slapen in tropische hotels waar ’s nachts steeds de airco uitvalt? Wie wordt blij van restaurants die allemaal hetzelfde serveren? Met enige reserve, worden wij nog steeds wel blij van Cuba. Het land staat aan de rand van de afgrond, maar dat is vaker gebeurd en daarom verwacht ik dat het nog jaren voortstrompelt tot de economie weer opleeft. Cuba is mooi in lichte en donkere tijden en mocht het sterven, dan doet het dat in schoonheid.
Voor toeristen is de centrale oude stad van Havana erg aantrekkelijk omdat die goed in de verf staat. Direct erbuiten begint de verpaupering. Daar is La Habana een afbladderende oude barones geworden, al draagt ze haar armoede in stijl. De Cubanen, trots, veerkrachtig en rijk in cultuur lijken nauwelijks gebukt te gaan onder de schaarste. Hoe mooi de stad ook is, elk bezoek aan Havana begint met een sociale ervaring. De stad is meer dan welke andere stad een levend museum omdat je er direct in wordt gezogen.
Iedereen leeft buiten en bemoeit zich met elkaar; een reiziger kan zich hier niet isoleren. Grootsteedse onverschilligheid zoals in Londen, Parijs of Amsterdam ontbreekt. Op trottoirs en terrassen, vanuit vensters en balkons, overal waar je kijkt kijken mensen terug en naar elkaar; lachend, flirtend, gitaar spelend, druk pratend. Hosselaars, die hier jineteros heten, zijn charmante, welbespraakte mannen die ons hoffelijk aanspreken. Meestal wimpelen we hen even vriendelijk af. Cuba blijft ook al loopt het op zijn tandvlees, de vrolijkste socialistische staat.

Gestolde sponzen
De esthetiek van verval en nostalgie is overal. We wandelen onder luxueuze balkons. ‘Best chique”, zeg ik tegen onze gids Ramón. “O, maar hier wonen al heel lang gewone mensen. Anderhalve eeuw geleden vertrok de elite al naar buitenwijken waar ze in grote tuinen konden zitten. Hun stadsvilla’s stonden leeg tot in 1866 de slavernij werd afgeschaft. In drommen trokken mensen naar Havana, trokken gelijk in die villa’s en timmerden daar tussenschotjes en tussenmuren zodat er meer families in konden. Eerst moesten ze er huur voor betalen, maar na Castro mochten ze er bijna gratis wonen. Veel families zitten hier al 150 jaar!”
“En als Amerika Havana overneemt?” “Dan zijn ze snel vertrokken, denk ik. Want dan nemen vastgoedjongens het over die de boel renoveren om er dik aan te kunnen verdienen. Niet dat ik geloof dat dit ooit gaat gebeuren. Wij kennen onze geschiedenis. Onder Castro’s voorganger, een vriendje van Amerika, was het hier een criminele, gewelddadige bende. “
We lopen door naar de kathedraal van Havana. Ramón wijst naar de natuurstenen in de muren, net gestolde sponzen. “Koraalsteen uit zee, inclusief schelpen en fossielen. Honderden gebouwen zetten de Spanjaarden ervan. Stadsmuren, kerken, de grote paleizen… Spanjaarden ontdekten voor de kust enorme hoeveelheden ervan. Onder zee is het zacht en gemakkelijk te snijden. Boven water wordt het keihard. Dus je duikt het op en bewerkt het snel voor het droog is.”
“Klinkt handig. We zien het alleen bij oude gebouwen. Waarom stopte dat weer?”“Je denkt toch zeker niet dat die Spanjaarden zelf die stenen opdoken? Daar hadden ze hun zwarte gevangenen voor. Die haalden het boven water en verwerkten het in de brandende zon tot blokken. In 1886 stopte de slavernij en de nieuwe vrije arbeiders gingen loon vragen. Dat maakte het ineens heel duur. Baksteen was veel goedkoper. En beton, dat rond 1900 opkwam, nog meer “
“En lelijker.”“Beton zit aan de binnenkant, dus de gevels kun je zo mooi maken als je wil. Havana heeft prachtige Art Déco-flats uit die tijd. Koraalsteen is niet helemaal passé. Wie het kan betalen, laat koraalsteen opduiken om hier en daar een gebouw mee te verfraaien. Niet te veel hoor, want die steenafzettingen zijn een effectieve buffer tegen orkanen en tsunami’s. Haal je die weg, dan is het wachten tot het een keer mis gaat. En zonder die riffen verdwijnt ook veel zeeleven vogels, vissen, planten. We hebben nu een wet die de gesteenten beschermt.”
Vanaf de straat horen we de priester dreinerig zijn Latijn neuriën en de gelovigen zachtjes antwoorden. Binnen is het kaal voor een katholieke kathedraal. Ik voel niet de betovering van oude kerken in Europa en ook niet de Latijns-Amerikaanse begeestering zoals in buurland Mexico met zijn uitzinnige menigtes en kerkfeesten. De gelovigen tonen geen emotie. Dit is een kerk op de waakvlam.
“Een tamme boel…” Onze gids lacht. “Vijftig jaar lang was religie hier streng verboden. Processies en zelfs Kerst werden verboden. Priesters die zich kritisch uitten, werden verbannen, opgesloten of tewerkgesteld. Het is nu wat minder streng geworden allemaal. Sinds 1972 noemt Cuba zich niet atheïstisch maar seculier. En sinds 1998 mag Kerstmis weer. Heel soms staat de overheid zelfs een processie toe.“
Maar waarom is deze kerk zo kaal aan de binnenkant? De grootste kathedraal van een land is vaak een pronkstuk van jewelste: de Notre Dame, de Westminster Abbey…
“Dat was het ook! Het was een barok pronkpaleis van heb ik jou daar! Als die drie crises er niet waren geweest. De eerste begon al in 1767, negentien jaar na het leggen van de eerste steen. De kerk was nog niet af, maar de Jezuïeten waren rijk en hadden er al het nodige fraais uitgestald. In dat jaar verbande de Spaanse koning de jezuïetenorden uit het hele Spaanse rijk en confisceerde al hun rijkdommen. In 1777 was het gebouw af, maar zonder de Jezuïetenschatten. Wel was de kerk uitbundig versierd in barokstijl. Maar op Cuba raakte in de 19de eeuw die stijl uit de mode. De bisschop van toen, meneer Espada, liet hem rigoureus neoklassiek verbouwen. Bijna alle weelderige barokke altaren, goudornamenten en oude religieuze beelden gingen er uit; sobere stenen bleven over zoals je kunt zien. De Revolutie in 1959 kwam daar nog eens overheen. Die beroofde de kerk compleet en wat er nog stond aan kostbaarheden en religieuze kunst werd verplaatst naar staatsmusea. Of ze lieten de houtwormen en de vochtige warmte hun werk doen. Kijk, er hangen nog wel wat schilderijen, vooral 18de-eeuwse kopieën van Rubens en Perovani. De echte meesterwerken zijn allang weg. Maar laten we niet treuren om het verleden. Wat ik erger vind, is dat ze ook de resten van Columbus hebben weggehaald. Die lagen hier best goed omdat Cuba tot de eerste plaatsen behoorde waar hij aan land ging.”
Dus hij lag hier begraven! Waarom hebben ze dat nou gedaan?
“Dat gebeurde halsoverkop in de nasleep van een verloren oorlog. Spanje verloor in 1898 de Spaans-Amerikaanse oorlog. De Spanjaarden wilden niet dat de botten van hun nationale held in handen zouden vallen van de Amerikanen. Zijn fysieke overblijfselen hebben bijna net zover gereisd als hijzelf!
Dat klinkt als een grap, als het niet zo tragisch was…Leg uit!
“Na zijn dood werd hij eerbiedig bijgezet in de kathedraal van Santo Domingo op het eiland Hispaniola, waar nu de staten Haïti en de Dominicaanse republiek zijn gevestigd. Ook dat eiland hoort bij zijn eerste landingsplekken. In 1795 verloor Spanje Hispaniola aan Frankrijk. De Spanjaarden groeven de resten op en brachten die naar Cuba, dat toen nog gold als een veilige Spaanse kolonie. Ruim een eeuw later echter moest Spanje ook Cuba afstaan; Cuba werd onafhankelijk. Toen Spanje begreep dat de oorlog verloren was, ontmantelden ze de tombe, scheepten de resten op 12 december 1898 in en herbegroeven die in de kathedraal van Sevilla, waar ze nu nog rusten. Dat is niet het hele verhaal, want in 1877 vonden arbeiders in de kathedraal van Santo Domingo nog een kist met het opschrift Christoffel Columbus. Daarom beweerde de Dominicaanse Republiek dat de Spanjaarden in 1795 per abuis de verkeerde botten meenamen, misschien wel van Columbus’ zoon Diego. In 2003 gingen ze in Spanje de botten al onderzoeken maar pas eervorig jaar, in oktober 2024, was de stand van de techniek zodanig dat uit die uiterst tere, deels vergane botjes door uitgebreid DNA onderzoek vast kon komen te staan dat ze echt van Christoffel zijn.”
Dus hiermee is het gerucht uit Santo Domingo definitief ontkracht?
“Ja en nee. De botresten in Sevilla zijn echt van hem, maar het zijn er erg weinig, nog geen twee ons. Hoofdonderzoeker Lorente zei: ze liggen niet allemaal in Sevilla en waarschijnlijk ook niet allemaal in Santo Domingo. Toen de Spanjaarden in de chaos van 1795 haastig de resten opgroeven, lijkt het of ze in de schemering maar een deel ervan uit de urn hebben geschept en dat de restanten die achterbleven in 1877 werden teruggevonden in Dominica in een loden kist met zijn naam erop. Of die botten ook van hem zijn weten we niet omdat Santo Domingo blijft weigeren om ze voor onderzoek beschikbaar te stellen.”
Regenwoud

We betreden een plein met uitwaaierende verenpalmen, bloesemende struiken en manshoge bloemen. Daartussen schieten kolibries heen en weer, sneller dan onze ogen kunnen volgen. Het snelst is de inheemse bijkolibrie, vijf centimeter lang, het kleinste vogeltje ter wereld. Hoog boven hun minuscule gestaltes cirkelen de trage omtrekken van gieren. Uitbundige vegetatie omlijst hun bewegingen. Voor een Europeaan als ik lijkt het een scherf jungle, vermomd als park omdat ik de tropische sierplanten zo imposant vind, vooral de veel aangeplante decoratieve kapokbomen (Céiba) met hun doornige, kaarsrechte stammen, enorme steunwortels en kapokdons.
Plaza de Armas blinkt en schittert in de zon. Op stoepranden lurken mannen en elegante vrouwen aan hun flessen rum. Daar veert er één overeind, ze roept: ‘No hay comida!’ (Ik heb geen eten). Haar slanke armen strekken zich uit. Haar ogen brutaal en charmant, een rimpelloze teenager-look met glanzende huid, felle strakke kleren en een smalle taille, zilverig kroezende toefjes haar om haar slapen.
‘No hay comida’, roept ze weer, nu dringender. Ze oogt wel erg fit voor een hongerlijder. ‘Dit land is socialistisch’ zeg ik, ‘iedereen heeft te eten’. Fanatiek rent ze me na. Ze trekt aan mijn elleboog. No hay comida. No hay comida. “Allemaal alcoholisten”, zegt Ramón en wenkt. Vlug leidt hij ons een oud poortgebouw in. Abrupt stopt het gebedel. We zijn een onzichtbare grens over gegaan, die de bedelaars gevangen houden in het vierkant van het plein.
Op de Plaza Viejo neemt onze gids ineens afscheid. Aan zijn gezicht kan ik zien dat hij vindt dat het mooi is geweest zo. Hij schudt onze handen, draait zich om en loopt zonder verder een woord vuil te maken de menigte in. Het was ook wel wat veel allemaal in deze warme vroege ochtend. Verderop wacht een terras met live salsamuziek. Herademend nippen we van een tintelende cuba libre. Verderop kijkt een jonge vrouw met een vriendelijk rond gezicht en in een helblauw jasje onze kant uit te kijken en schetst wat; dan stapt ze naar ons toe en gooit een tekening neer, een wirwar van strepen. Wat is dit, denken we. Maar zij trekt alleen een frons en beent dan weg. Ineens herkennen we onze gezichten in karikatuur. De bekende sjablonen, dat wel, maar toch vlot en vaardig gedaan. Waar is ze? Hier, voor jou! Maar ik zie haar nergens meer. Op de plaats waar ze verdween, steekt net een schoolklas over in geel-rood-groene pakjes, meisjes in jurk, pronkend met vlechtjes, jongens gemillimeterd en voetballend. Alles warrelt en beweegt, toch blijft het pastoraal. Want we horen geen auto’s of andere machines, alleen gelach van kinderen en gekwetter van vogels.












