
Onze gids Ramón, die ons in de ochtenduren door de stad loodst, moppert over Cuba’s braindrain. Artsen en technici van elke nieuwe lichting ontdekken dat ze hier het loon krijgen van een straatveger en dat ze in Amerika het honderdvoudige kunnen verdienen. Zodra ze dat door hebben, zijn ze vertrokken. Hen een marktconform loon aanbieden betekent een knieval voor het kapitalisme en dat gebeurt dus niet.
Je blijft niet ergens wonen alleen omdat er mooie huizen staan. Maar dat is wel waarom je een stad wil bezoeken en zeker Havana: fantasievolle gevels in Caribisch roze, geel en blauw met wit houten kantwerk langs de kroonlijsten. Belle Époque- architectuur die voor het bewind mooi meegenomen was nadat rond 1989 de Sovjethulp instortte. Toerisme was een nieuwe goudmijn, want het hele land is fotogeniek. Toeristendollars en euro’s hielpen Cuba de crisis uit, al werd het niet meer zo prettig als toen. En nu wordt het nog minder prettig, want de toeristen blijven weer weg. Wie wil er slapen in tropische hotels waar ’s nachts steeds de airco uitvalt en eten in restaurants met allemaal dezelfde eentonige kaart?
Wij wel. Het is niet anders: de meeste toeristen houden Cuba voor gezien. Het land balanceert aan de rand van de ineenstorting. Cuba heeft dat vaker meegemaakt. Vermoedelijk strompelt het nog jaren voort tot de economie weer opleeft. Of tijden donker zijn of licht, Cuba is altijd mooi en mocht het sterven, dan sterft het in schoonheid.
Voor toeristen is Havana het centrale gedeelte van de oude stad omdat dit zo goed in de verf staat. Één straat erbuiten begint de verpaupering. Daar is La Habana een afbladderende oude barones die haar armoede draagt in stijl. Heel Havana is om te beginnen een sociale ervaring. Grootsteedse onverschilligheid zoals in Londen, Parijs of Amsterdam is schaars. Op trottoirs en terrassen, vanuit vensters en balkons, waar je maar kijkt, kijken mensen terug en naar elkaar; lachend, flirtend, musicerend, bezig met handel, rum drinkend, sigaren rokend. Voortdurend worden wij aangesproken, maar hoffelijk. Cuba blijft ook al loopt het op zijn tandvlees, de vrolijkste socialistische staat.

Gestolde sponzen
We wandelen onder luxueuze balkons. ‘Best chique”, zeg ik tegen onze gids Ramón. “O, maar hier wonen al heel lang gewone mensen hoor. Anderhalve eeuw geleden vertrok de elite al naar buitenwijken waar ze in grote tuinen konden zitten. Hun stadsvilla’s stonden leeg tot in 1866 de slavernij werd afgeschaft. In drommen trokken mensen naar Havana, trokken gelijk in die villa’s en timmerden daar tussenschotjes en tussenmuren zodat er meer families in konden. Eerst moesten ze er huur voor betalen, maar na Castro mochten ze er bijna gratis wonen. Nog steeds!”
“En als Amerika het overneemt?” “Dan zijn ze snel weg, denk ik. Want dan nemen vastgoedjongens het over die de boel renoveren om er dik aan te kunnen verdienen. Ik geloof nooit dat dit gaat gebeuren. Cubanen kennen hun geschiedenis. Onder Castro’s voorganger was het hier een criminele, gewelddadige bende. Batista was een vriendje van Amerika. “
We lopen door naar de kathedraal van Havana. Ramón wijst naar de natuurstenen in de muren, net gestolde sponzen. “Koraalsteen uit zee, inclusief schelpen en fossielen. Honderden gebouwen zetten de Spanjaarden ervan. Stadsmuren, kerken, de grote paleizen… Spanjaarden ontdekten voor de kust enorme hoeveelheden ervan. Onder zee is het zacht en gemakkelijk te snijden. Boven water wordt het keihard. Dus je duikt het op en bewerkt het snel voor het droog is.”
“Klinkt handig. We zien het alleen bij oude gebouwen. Waarom stopte dat weer?”“Je denkt toch zeker niet dat die Spanjaarden zelf die stenen opdoken? Daar hadden ze hun zwarte gevangenen voor. Die haalden het boven water en verwerkten het in de brandende zon tot blokken. In 1886 stopte de slavernij en de nieuwe vrije arbeiders gingen loon vragen. Dat maakte het ineens heel duur. Baksteen was veel goedkoper. En beton, dat rond 1900 opkwam, nog meer “
“En lelijker.”“Beton zit aan de binnenkant, dus de gevels kun je zo mooi maken als je wil. Havana heeft prachtige Art Déco-flats uit die tijd. Koraalsteen is niet helemaal passé. Wie het kan betalen, laat koraalsteen opduiken om hier en daar een gebouw mee te verfraaien. Niet te veel hoor, want die steenafzettingen zijn een effectieve buffer tegen orkanen en tsunami’s. Haal je die weg, dan is het wachten tot het een keer mis gaat. En zonder die riffen verdwijnt ook veel zeeleven vogels, vissen, planten. We hebben nu een wet die de gesteenten beschermt.”
Vanaf de straat horen we de priester dreinerig zijn Latijn neuriën en de gelovigen zachtjes antwoorden. Ik voel niet de betovering van oude kerken in Europa en ook niet de Latijns-Amerikaanse begeestering zoals in buurland Mexico met zijn uitzinnige menigtes en kerkfeesten. De gelovigen tonen geen emotie. Dit is een kerk op de waakvlam.
“Een tamme boel…” Onze gids lacht. “Vijftig jaar lang was religie hier streng verboden. Processies en zelfs Kerst werden verboden. Priesters die zich kritisch uitten, werden verbannen, opgesloten of tewerkgesteld. Het is nu wat minder streng geworden allemaal. Sinds 1972 noemt Cuba zich niet atheïstisch maar seculier. En sinds 1998 mag Kerstmis weer. Heel soms staat de overheid zelfs een processie toe.“
Regenwoud

We betreden een plein met uitwaaierende verenpalmen, bloesemende struiken en manshoge bloemen. Daartussen schieten kolibries heen en weer, sneller dan onze ogen kunnen volgen. Het snelst is de inheemse bijkolibrie, vijf centimeter lang, het kleinste vogeltje ter wereld. Hoog boven hun minuscule gestaltes cirkelen de trage omtrekken van gieren. Uitbundige vegetatie omlijst hun bewegingen in deze scherf jungle, vermomd als park.
Plaza de Armas blinkt en schittert in de zon. Op stoepranden lurken mannen en elegante vrouwen aan hun flessen rum. Daar veert er één overeind, ze roept: ‘No hay comida!’ (Ik heb geen eten). Haar slanke armen strekken zich uit. Haar ogen brutaal en charmant, een rimpelloze teenager-look met glanzende huid, felle strakke kleren en een smalle taille, zilverig kroezende toefjes haar om haar slapen.
‘No hay comida’, roept ze weer, nu dringender. Ze oogt wel erg fit voor een hongerlijder. ‘Dit land is socialistisch’ zeg ik, ‘iedereen heeft te eten’. Fanatiek rent ze me na. Ze trekt aan mijn elleboog. No hay comida. No hay comida. “Allemaal alcoholisten”, zegt Ramón en wenkt. Vlug leidt hij ons een oud poortgebouw in. Abrupt stopt het gebedel. We zijn een onzichtbare grens over gegaan, die de bedelaars gevangen houden in het vierkant van het plein.
Op de Plaza Viejo neemt onze gids ineens afscheid. Aan zijn gezicht kan ik zien dat hij vindt dat het mooi is geweest zo. Hij schudt onze handen, draait zich om en loopt zonder verder een woord vuil te maken de menigte in. Het was ook wel wat veel allemaal in deze warme vroege ochtend. Verderop wacht een terras met live salsamuziek. Herademend nippen we van een tintelende cuba libre. Verderop kijkt een jonge vrouw met een vriendelijk rond gezicht en in een helblauw jasje onze kant uit te kijken en schetst wat; dan stapt ze naar ons toe en gooit een tekening neer, een wirwar van strepen. Wat is dit, denken we. Maar zij trekt alleen een frons en beent dan weg. Ineens herkennen we onze gezichten in karikatuur. De bekende sjablonen, dat wel, maar toch vlot en vaardig gedaan. Waar is ze? Hier, voor jou! Maar ik zie haar nergens meer. Op de plaats waar ze verdween, steekt net een schoolklas over in geel-rood-groene pakjes, meisjes in jurk, pronkend met vlechtjes, jongens gemillimeterd en voetballend. Alles warrelt en beweegt, toch blijft het pastoraal. Want we horen geen auto’s of andere machines, alleen gelach van kinderen en gekwetter van vogels.












