
De Poolse schrijver Andrzejewski publiceerde in 1960 De Poorten van het Paradijs, een roman in slechts twee enorm lange zinnen, over de kinderkruistocht van 1212. De toonzetting ervan is even extatisch en een even geprolongeerde roeservaring als de kruistochten moeten zijn geweest. Eigenlijk is het één lang prozagedicht en poëzie is ook het medium bij uitstek om de extatische ervaring in weer te geven. Deze kruistochtgangers, pelgrims op blote voeten, zagen niet zozeer de weg die zij aflegden, zij leefden de allegorie. Hun geesten waren vervuld van heilige dronkenschap. van innige vervoering, een zielstoestand nauw verwant aan die der mystici en in dezelfde zielstoestand moeten de aanzeggers verkeren die zich bedienen van het Tibetaans Dodenboek.
Jungs Zeven Preken tot de Doden is geschreven in dezelfde trant. Waarom zou je preken tot de doden? Omdat de doden luisteren, althans de Tibetanen veronderstellen het als bekend, dat de eerste drie dagen na het overlijden de ontslapenen nog stemmen van levenden kunnen opvangen in hun stervende oren. Hun ontvangststation valt onherroepelijk uiteen, maar blijft zo lang nog intact, indachtig ook de Nederlandse Wet op de Lijkbezorging en Teraardebestelling die bepaalt dat een dode nog drie dagen boven de aarde blijft voor we zijn kist mogen laten zakken.
Als je slaapt, gedraagt je geest zich of je al dood bent. Onder dromers bestaan zeer uiteenlopende gradaties van bewustheid; van een maalstroom van indrukken tot de rève lucide; zo heb je ook doden die doordat zij beseffen dat ze de drempel over zijn, zich vrij bewegen tussen het onder- en bovenmaanse. Vele anderen tuimelen verward en soms razend door de astrale sferen. Zij worden geregeerd door de tegenstrijdige gevoelens die iedereen heeft. Nooit zijn ze toeschouwer ervan.
Nu wij weer leven in de maand van Aperture, en onnavolgbare kwantumbiologische processen het bladgroen naar nieuw gevormde cellen jagen, zoals kinderen die van het rondrennende rode wangen krijgen – zien we overal de incarnatie van leven en van het nieuwe seizoen. De plantensappen stijgen, b bloei overdekt de wereld tot aan het culminatiepunt in Mei- wanneer de Natuur haar bijslaap beoefent. Het consecratiepunt in deze hoogmis, het hoogtepunt in de voortplanting heet ook wel de Kleine Dood omdat iedereen die dit doormaakt, momenten van sublieme bewusteloosheid ervaart.
Doden, dichters en pelgrims zijn toeschouwers op het voorjaarsfeest. Niet om te beschimpen, maar om het grootse verband te aanschouwen waarin de ritmes der natuur zich voltrekken. ‘Het geurt naar brood en warme wijn en in de sneeuwnacht verwachten ze het nieuwe jaar’. Wij vieren dat in december, maar het nieuwe jaar begint pas echt in april.
Was er geen winter, dan hadden we geen melancholie en misschien niet eens filosofie of wetenschap, poëzie, literatuur. Want wat zijn culturele voortbrengselen anders dan gestolde gedachten en gevoelens vol uitgesteld genot- wachtend op het moment dat we weer kunnen genieten? In de grauwe, lege tussentijd die onze feesten verbindt, penseelstreken plaatsen, woorden neerkrabbelen, snaren aanslaan? Toch hebben tropische landen, die geen winter kennen, deze dingen ook. Daar is het regenseizoen met zijn lange tijdsspannes met langdurige stortregens, malaria en onbegaanbare wegen de tijd die mensen noodgedwongen binnen doorbrengen en dan vangt daar het grote peinzen en wachten aan die voedingsbodem is voor prachtige Latijnsamerikaanse, Afrikaanse en Indische romans.
Natuurvolkeren schrijven die niet, zij maken geen kunst zoals wij. Wat zij vervaardigen is traditioneel doordrongen van functionaliteit en de schoonheid van hun voorwerpen lijkt bijna bijkomstig. Maskers om demonen mee te verjagen of op te roepen, fluiten van mensenbeen maar ingewikkeld versierd, godsbeeldjes in uitgelezen kleuren…Een schildering is bij natuurvolkeren altijd meditatieobject . Niet om te zien hoe goed het is gelukt of wie de maker is, maar om ermee door de Sluier van Isis te dringen.
Wij zijn behept met gedachten, dus zijn we ertoe veroordeeld te zoeken naar het woud achter de wereld of the well at the world’s end. En ook dat hoe rationeel de paden der exacte wetenschap ook zijn, ook deze wetenschappers maken gebruik van symbolen om de wereld te duiden omdat het zonder niet gaat. Los van de immense vorderingen in technologie als resultaat van hun vernuft, komen hun inspanningen uiteindelijk neer op een hartstochtelijk streven naar begrip.
Om mani padme hum– vroeger hield ik van het Kerklatijn vanwege de melodie en de onverstaanbaarheid. Om dezelfde reden zou ik van de week naar de Donkere Metten en Lauden zijn gegaan, De sonore kloosterzang, de fragmenten die oplichten in mijn begripsvermogen als lichtende bakens in een steeds diepere nacht omdat na elke beurtzang een kaars uit gaat. Tenslotte, nadat de laatste kaars uitgaat, is het helemaal donker. Eerst schuifelen de monniken in hun witte gewaden de kerk uit, dan volgen de gelovigen.
In de koude en onbarmhartige april met haar belofte van duizend schoonheden waarvan tussen de hagelbuien door maar enkele tot vervulling komen, zijn deze Donkere Metten een baken voor ieder die wegen zoekt om uit de nacht te komen. Er zijn ook genoeg niet-christelijke bakens. Glimwormpjes, vuurvliegjes en vleermuizen kunnen je ook de weg wijzen en anders is het wel de nachtegaal, kleine koning van het voorjaarsduister, die ons vertelt dat we niet bang meer hoeven te zijn.
Ons evolutionair bewustzijn vertelt ons iets anders . Maar misschien mogen we voor even ons evolutionair bewustzijn in de hoek zetten en nog een korte poos luisteren naar Luscinia megarhynchos, voordat onze eigen demonen ons weer bespringen- die staan eeuwig te trappelen om onze pret te bederven. We geven ze meer ruimte dan hen toekomt.












