
Opgepoetst Oud Havana grenst aan de blauw glanzende Straat van Florida en omvat hooguit 200 bij 1000 meter. Daarbuiten zie je ongelijke trottoirs, kapotte rolluiken, bouwvallen, vuilnishopen en het bewonderenswaardige gemak waarmee de inwoners dit ondergaan. Ze porren zoekend in de rommel of steken het in de fik.
Het volkse Havana is minder nieuwsgierig, blikken staan eerder verbaasd dan opmerkzaam. Terug op de sierbestrating gaat gelijk de kermis weer aan. Verkopers, gidsen, restauranthouders en oplichters struikelen over elkaar om bij ons te komen. Maar we zijn zo van ze af omdat we duidelijk weten wat we willen: een plek waar je rustig kunt lunchen. Boven ons is een uitnodigend restaurantbalkon. Direct komt iemand ons de weg wijzen en even later zitten we er al. De restauranteigenaar komt breed lachend kennismaken. “Tien jaar geleden maakte ik onderweg naar Moskou een tussenstop in Amsterdam. Geweldig.” Nu moeten we ook Havana aanprijzen, maar dat is niet moeilijk.
Beneden op straat stallen mannen schichtig om zich heen kijkend rum en sigaren uit. Minuten later is het handeltje alweer weg, want openlijke zwarte handel wordt bestraft. Vanuit een piepklein keukentje bereiken ons plezierige etensgeuren. Met smaak verorberen we de kip met rijst en groenten en vooruit, nog een rumcocktail.
De rum stemt dromerig. Even later dolen we weer verder. Een hoek omslaand, zien we hoe in een door zonlicht en diepe schaduw scherp in tweeën gedeelde straat een modieuze jonge man ontspannen tegen een muur leunt. Er ligt geen centenbak. In zijn hand houdt hij een trompet waarmee hij een trage jazztune speelt, met lome improvisaties. Het is net of we een art house movie binnenwandelen.
Joroeba

Door het toeristische deel lopen groepjes gitaristen die maar drie liedjes spelen: La Bamba, Guantanamera en Chan Chan. We zien ze als we Plaza de Armas weer oversteken. Met breedgerande groene toeristenhoeden met lovertjes en in kitscherige vestjes lopen ze ons tegemoet. We lopen snel verder, maar mijn muziekminnende dochter loopt juist naar ze toe. ‘Frank, houd je haar even in de gaten?’ Ik bots bijna gelijk weer tegen haar op omdat ze grinnikend rechtsomkeert maakt. ‘Drie mannen die me strak aankijkend zingend benaderen, dat is wel heel intens.’
Wat achteraf naast een brede boulevard met regeringsgebouwen, in een oude stadsvilla vinden wij het Joroeba-museum annex tempel, gewijd aan de Cubaanse religie santería. Meer dan 80% van de Cubanen hangt het aan. Al deze mensen praktiseren simultaan. Dit betekent dat ze op zondag als goed katholiek in de mis kaarsjes branden voor de heiligen en doordeweeks thuis een santería-priester uitnodigen die Afrikaanse rituelen met ze doet. ’s Zondags katholiek, doordeweeks santero.
We zijn de enige bezoekers. Onze stemmen en voetstappen galmen en vanuit nissen kijken levensgrote godenbeelden ons onbewogen aan. Elke god zijn eigen; de watergod een moeras, de steengod een gebergte, de zeegodin het wijde water. Een schema van concentrische cirkels verbeeldt het Joroeba-universum. In deze stoffige schemer lijken de beelden bijna te leven. Waar zijn de priesters en gelovigen en waarom is het zo smoezelig? Er is een café-restaurant dat gesloten is en op de bovenverdieping een salsaschool die vanavond open is. De eigenaar is wel aanwezig en heet ons van harte welkom. In het voorportaal hangen vrij vlakke schilderijen met voorstellingen die verwijzen naar het geloof; met wonderwezens, wolken en zwevende ogen. De maker zit er op een krukje bij en lurkt ontspannen aan een sigaar.
We vragen hem waar de gelovigen zijn. Hij lacht. “Thuis natuurlijk! Vaak in de slaapkamer. Die is meest privé dus de kans betrapt te worden was daar vroeger het kleinst. En we vermomden de goden. Changó bijvoorbeeld werd de heilige Santa Bárbara.”
Waarom heet het hier Joroeba? “Dat is onze eigen benaming Santería was een spottende naam van de Spanjaarden. Joroeba is Afrikaans, maar op Cuba gaat het anders. Liturgie, goden en gebruiken zijn dat wel, maar Afrikanen aanbidden hun goden buiten. Wij binnen. En wij zijn ook katholiek. Dat ontstond toen de Spanjaarden ons probeerden te bekeren. Zondag een kaarsje branden voor de heiligen in de kerk, doordeweeks met een santería priester de goden raadplegen. Dat is altijd zo gegaan en zo gaat het nog steeds.”
Hebben jullie thuis ook heiligenbeelden? “Zeker. Wij noemen dat de maskers voor de goden. Een heiligenbeeld maakt goden menselijker, gemakkelijker te benaderen. Maar onze offers stemmen we wel af op wat de goden echt willen, of het nu rum is, bloemen of sigaren. En de kaarsjes branden in hun eigen kleuren. “
De Spanjaarden zijn al honderd jaar weg… “Ja, maar we zijn dit nu zo gewend. Het is ondenkbaar dat we die heiligenbeelden weg zouden doen. In santería komt alles samen. We hebben ook goden waarvoor geen heilige bestaat. Die krijgt dan een eigen beeld. Het is best bijzonder dat ik je dit kan vertellen. Vroeger mocht je er echt niets over zeggen. “
Voorouderverering

In mei 1902 werd Cuba zelfstandig. Toen kwam er toch godsdienstvrijheid? “Volgens de wet ja. Maar in de praktijk bleef het taboe, zeker in het openbaar. De regering en de rijke mensen noemden het nog steeds achterlijk bijgeloof. In de jaren ’30 had je wetenschappers als Fernando Ortiz die zich sterk maakten voor Joroeba, maar hun invloed was beperkt. En 1959 begon het regime van Castro dat alle religie verbood. Als je ook maar een santería-ketting droeg, werd je ontslagen of van school gestuurd. Dus trokken we ons weer terug. Pas in 1991 kwam er echte godsdienstvrijheid.”
Dat is een kwart eeuw geleden. Dus waar zijn de gelovigen? “Binnenshuis en buiten op straat! Nieuw ingewijden lopen een jaar lang in het wit. We hebben nu meer Santería-aanhangers dan pure katholieken. Maar er is geen enkele officiële tempel, daarom noemen we dit een museum. Want het blijft uitkijken. De overheid staat nog steeds achterdochtig tegenover religie.”
Ik zie hier vooral godenbeelden, maar lees nergens iets over de praktijk. “Ik vertel het je wel. Alles begint met voorouderverering. De krachten van de geesteswereld kunnen pas op je inwerken als je in harmonie verkeert met je voorouders. Die zijn duidelijk aanwezig op onze altaren met foto’s, namen en favoriete voorwerpen. Je kunt er vereren of om raad vragen. Je kunt ook bemiddeling vragen van een priester of priesteres. Een ingewijde heeft een ouder-kind relatie met de priester. Sommige goden zijn beschermer van de familie. Gelovigen zullen niet snel hier komen. Een museum met beelden alleen om te bekijken voelt raar, alsof ze dood zijn.”
We bedanken hem en slenteren verder richting appartement. Terug bij Jake beklimmen we het dak, want je kunt daar mooi over de daken kijken. Het is er inderdaad mooi, maar het uitzicht kan alleen lijdend aanschouwd worden omdat het ondraaglijk heet is. Noodgedwongen lopen we pal langs de dakrand omdat de rest van het dak vol ligt vol leidingen, schoorstenen en onduidelijke apparaten. Er is geen balustrade. Jake zegt dat hij er nog iets heel moois van gaat maken.
Om de hoek eten we op een terras terwijl het staartje van de dagelijkse drukte in een bonte stoet voorbij trekt: buikige mannen op slippers, in joggingbroek en met ontbloot bovenlijf, opgedirkte vrouwen met nauw verhulde bungelende borsten in losse décollétés. En bedelaars. ‘Mensen lopen hier rond alsof ze thuis zijn’ hoor ik zeggen. Een man met gegroefd gelaat en grijze puntbaard houdt zijn hand op terwijl hij op de andere een dienblad draagt met een druipkaars. O nee, dichterbij wordt dat een verweerd Mariabeeldje met verlichte engeltjes. Hoe lang sjokt hij er al mee rond?
Money, money, money!
Ons pleintje is een van de weinige gelegenheden waar je na het invallen van het duister buiten kunt eten. Na de stoet treedt de avondstilte in; Cuba kent geen avondlijke flaneertraditie. Komt dat door de avondhitte die elke dag van het jaar ook ‘s avonds blijft hangen? Uitgestorven avonden horen bij Latijns-Amerika.
De ober klaagt over het gebrek aan toeristen, volgens hem door negatieve publiciteit. ‘Die doet mij niets’ zeg ik. ‘Als ik ergens heen wil, ga ik toch wel.’ Mijn medereizigers kijken geschokt. ‘Wat zeg je nu? Dat zeg je tegen hem? Hij kan nergens heen!’ Ook de ober kijkt weifelend. Dat misverstand brei ik niet meer recht. Dus ik mompel iets over dat iedereen wel eens domme dingen zegt. Hij knikt berustend. We willen ons na het eten terugtrekken in de living van het appartement maar dat blijft ’s nachts loeiheet omdat alleen de slaapkamers airco hebben.
Zoekend lopen we weer naar buiten, ditmaal naar de lange lage muur met wandelboulevard en autoweg die de zee scheidt van de stad. Het heet de Malecón, de plek waar ‘het gebeurt’; flaneerders, rammelende oude auto’s en een briesje van zee. Als wij er aankomen, is het briesje er wel, maar de Malecón zelf is bijna leeg. Enkele stadsbewoners hangen er rond, dat is alles. Bijna direct horen we een stem die ons vanuit het duister toe roept: Money Money Money! De stem komt dichterbij. Money money money… Money money money…klinkt het dreigend. We zien nog niet wie er roept, maar mijn reisgenoten willen weg. Snel steken we over, de stad weer in. Het geroep stopt. Weer zo’n onzichtbare grens. De lol is er af. Door onverlichte straten open we terug om te slapen.
Het ontbijt de volgende ochtend is ons besluit in Havana, omlijst met Europese symfonieën uit een krakende radio. Omelet, mango en avocado zijn met liefde bereid en dat proeven we. Buiten klinkt geroep en geclaxonneer. Eén stap buiten de deur en het circus zal opnieuw beginnen. Snel lopen we naar de gereedstaande oldtimer die ons naar Viñales zal brengen.













