
De weg van Havana naar Viñales is verdiept aangelegd in een vrij vlakke omgeving, dus we zien slechts taluds. Geen verkeersborden, wegreclames, borden met bestemmingen, of pijlen met opschriften bij uitritten- slechts een weg. Alleen viaducten doorbreken deze monotonie, en soms een tankstation dat we bijna over het hoofd zien omdat het zo klein is. Zou dit communistische saaiheid zijn? Want toen ik in de jaren 80 van Braunschweig naar Berlijn reisde, dwars door wat toen nog de DDR heette, was het landschap onderweg net zo kaal en leeg.
Na een half uur draait onze chauffeur de auto hobbelend een parkeerplaats op, waar even geen taluds zijn die het zicht benemen. Zo ver het oog reikt, zien we overwoekerde groene velden, jonge bomen en lage struiken en nergens een huis. We stappen uit in een groen niemandsland. Een pauzeplek zonder barretje of afdakje; slechts wrakke stoelen in ruig gras onder verwaaide bomen. De chauffeur steekt een sigaret op en schenkt zelf meegebrachte koffie in. Verderop staan er meer te pauzeren, vooral bestuurders van vrachtwagens. Ik vraag hem waar we hier zijn. “Dit noemen we in Cuba een punto de descanso, (rustplek). We drinken hier wat, soms is er handel, soms geven we goede tips. Welke tankstations hebben brandstof? Welke wegen zijn onbegaanbaar? Waar zijn politiecontroles? Als ik autopech heb, stop ik bij zo’n punt. Je treft er collega’s en iedereen helpt elkaar, bijvoorbeeld om een band te verwisselen. Of met auto-onderdelen, maar die zijn zeldzaam.”
Chauffeurs lappen versleten carrosserie op met staal uit wasmachines of koelkasten en smeden zelf bougiecilinders. Uit pure noodzaak zijn ze enorm vindingrijk. Sommige auto’s veranderen in Frankenstein-achtige bouwsels met vreemde maar functionerende onderdelen.
Alles ademt landerige rust. Niets leidt af, ieder koestert zijn gedachten. De chauffeur loopt een eindje het veld in en lurkt peinzend aan zijn sigaretje. Pauzeren betekent even niet op de weg en op passagiers hoeven letten.
Op deze autoweg Havana- Piñar del Rio zijn sommige delen zonder middenberm en extra breed, speciaal aangelegd als alternatieve landingsbaan voor vliegtuigen, mocht er een oorlog komen met de VS. In provincie Piñar zetten Castro en de Russen in 1962 zelfs kernraketten neer. Die zijn verdwenen, maar de wapendepots bleven. Piñar moet in geval van oorlog snel bereikbaar zijn vanuit Havana. Het blijft opletten op deze wegen, want ze zijn nogal pokdalig. Onze chauffeur zigzagt met zijn kennis van het wegdek voortdurend om diepe gaten heen als een stuurman om klippen. Hij moet ook uitwijken voor handkarren, paard en wagen, fietsers, rijtuigen en loslopend vee. Maar die zien we niet al te vaak.
Aan de rand van Piñar eindigt de snelweg en daar stoppen we opnieuw bij een punto de descanso, een grotere dit keer. Ik stap uit omdat op zo’n plek vast drankjes te krijgen zijn. Ik kom bedrogen uit. Het is meer een openlucht garage zonder dak en muren. Overal zwerven onderdelen rond. Op het eerste gezicht is het een onbeschrijflijke bende. Er wordt druk gepraat en gerommeld. Overal scharrelen mannen rond en er wordt gehandeld in onderdelen. Met mijn open schoenen blijft het opletten want je stapt zo in een scherp metalen voorwerp.
De huizen in Piñar met hun uitbundige tropische tuinen hebben vrolijke snoepkleuren. Hier langs de doorgaande weg zie ik veel handwerkslieden zoals je die tot pakweg 1965 bij ons ook had: schoenlappers, meubelmakers en handelaren in oud roest. Ook bij ons lag het levenstempo lager. Naast de onvermijdelijke saaiheid, herinner ik me ook de rustige vriendelijkheid, het geduld, de geborgenheid die ik hier weer tegenkom. Na wat kronkelige weggetjes opent zich ineens het prachtige vergezicht van de Unesco-werelderfgoedvallei van Viñales. De eerste blik op een onbekend prachtig landschap is onherhaalbaar en euforisch.
In Viñales
We stoppen aan een stoffige uitvalsweg met ruime tuinen. Onze kamers grenzen aan een tuin met bananenstruiken en palmbomen; onze gastvrouw is een moederlijk type dat zo gauw ze hoort dat onze kinderen gitaar spelen, haar eigen gitaar te leen geeft. Na het welkom slenteren we naar de onverharde hoofdstraat met western style bars. Ik heb nog niet mijn drankje als een oude vrouw in een versleten jurk al haar hand op houdt. Ze staat op straat, de balkons liggen wat hoger en haar hand zweeft bij onze gezichten. Medelijden en egoïstische wrevel strijden om voorrang. Wij kunnen hier zitten en zij moet rondzwerven om rond te komen. Zo’n schuldgevoel blijft hangen. Net als ik denk dat we voor de rest van ons verblijf een satelliet hebben, taait ze af. Even later gaan we een paar huizen verderop zitten om een hapje te eten en ze duikt gelijk weer op. Dit keer wordt ze weggestuurd. Naast bedelaars lopen hier veel straathonden; allemaal timide beestjes met een beige tint. Ze weten dat ze niet naar binnen mogen en als ze dat wel doen, laten ze zich met zachte hand wegsturen. En dan gaan ze ook. Het lijken lieve beestjes maar ze dragen ook het hondsdolheidvirus. Deze vuilnisbakjes, satos, kruisen zich al honderden jaren op de Cubaanse straten. Ze zijn klein van stuk, een minder atletische versie van kortharige Italiaanse windhonden. Agressief zijn ze niet. Sommige buurtbewoners zorgen voor ze; sommige honden hebben zelfs een ID met info over hun gezondheid, al neemt niemand ze in huis.
Op zoek naar koelte vinden we de lobby van het mooiste hotel in het dorp. Middenin zit aan een rijk bewerkt notenhouten bureau een net geklede dame de administratie te doen. Tussen barokke luchters en schilderijen in romantische stijl hangt een draaiend kunstwerk. We zijn de marmeren vloeren en de luchtstroom, dankbaar, daarom rekken we ons verblijf achter een café lungo. Het personeel laat ons ongemoeid, ook al zijn er geen andere bezoekers. Het is dat heerlijk relaxte, niet opgefokte wat mij doet houden van dit land.
In de namiddag zoeken we brood en vinden een heerlijk geurend depot met een rij Cubanen die tegen een kleine vergoeding stevig brood krijgen uitgereikt. Wij sluiten aan, maar de uitdeelster bonjourt ons gelijk weg: “Alleen voor Cubanen.” Een man met grote snor en breedgerande hoed ziet onze onthutste blikken en reikt ons het brood aan dat hij net heeft gekocht. Mijn vriendin wil niet dat we het aannemen. “Dat kun je niet maken.” “Maar hij kan toch zo een nieuw brood halen”, probeer ik nog.
Tabak ervan

Tegen het eind van de middag volgen we langs een beek en wat houten huizen een modderige weg die het dorp uit voert. We passeren nepsigarenplantages waar mensen ons binnen willen lokken. Bij een derde, met een terras tussen hoge bomen en traditionele huisjes, lopen we binnen. De eigenaar wil ons gelijk sigaren en rum verkopen. Hij vertelt dat de mogotes (lage, koepelvormige bergen die hier overal opduiken) eeuwenlang ongemoeid werden gelaten tot westerse toeristen ze gingen beklimmen. Sindsdien kun je hier klimactiviteiten beoefenen en hij kan voor ons een begeleider regelen. Het is vandaag bijzonder klam, broeierig en benauwd vanwege een orkaan bijna 1000 km verder. Het laatste waar we aan denken is klimmen en dat maken we duidelijk. Zijn nichtje, een hippe twintiger, zit er licht spottend bij te lachen. Ze studeert voor ontwerpster en leest literaire boeken. Ik ben benieuwd wat ze hier doet, maar mijn reisgenoten willen verder want naast sigarendozen, rumflessen en paardjes en ezeltjes is hier weinig te zien.
Die nacht in onze slaapkamer begint met ronkende airco en draaiende ventilatoren, maar na een uur slaat alles af. We baden in het zweet als hij kortstondig weer aan gaat. Daarna zwijgt alles voor de rest van de nacht. Ik drink veel water en neem drie keer een koude douche. De volgende ochtend ben ik vermoeid en heb een loopneus, maar ik ga mee op excursie- in de hoop dat mijn verkoudheid mijn ervaringen niet te negatief zal beïnvloeden.
Een ronde kale man in motormuis-outfit met speelgoedachtige accessoires brengt ons in een krakend karretje naar het beginpunt waar een jongen van zestien ons verder leidt. Onderweg zwijgt hij vooral, zijn taak is ons naar de sigarenplantages te leiden. In de tropen denk ik bij ‘natuurgebied’ aan dichte wouden met enorme bomen en lianen. Maar even later lopen we door een boomloos agrarisch landschap, wel met uitzicht op dichtbegroeide mogotes. Over vlakke paden door velden met tabak, koffie, fruit- en groenteteelt bereiken we een schuur waar we koffie drinken en luisteren naar een verhaal over sigaren. Voor onze neus rolt hij ze zelf en steekt er een op. Ja, zulke kopen we natuurlijk. Want ‘als je dat hier niet doet, waar dan?















