Vis over de bult

Een vismarkt in Amsterdam, 1662

Toen ik laatst de hoge heuvel achter mijn dorp op fietste, werd ik daarbij links gepasseerd door een ontzettend lelijk en hoekig, dieseldampen uitbrakend voertuig. Opzij kijkend herkende ik het logo van de viskraam, dat ons immer belooft dat alleen bij ‘Jansen’ de meest verse en lekkere vis te krijgen is. De dieselmotor van de kraam loeide in mijn oren en benam me de adem. Geërgerd keek ik het onding na.

Ik vind het onnatuurlijk om vis over een heuvel heen te tillen.

Maar wat wil ik nou? Deze wereld is onttoverd. Waarom schokt die onttovering mij steeds opnieuw? Is het omdat ik ondanks de immense druk om rationeler en efficiënter te worden, ik nog steeds niet geheel onttoverd ben?

Onze wereld wordt al minstens een eeuw geduwd, gekneed en geslagen richting onttovering, en al meer dan een halve eeuw daarvan bevind ik mij op deze wereld. We zijn al zo ver heen dat het enige moeite kost, mij de andere tijden te herinneren. Hoe kwamen mensen aan vis toen de wereld nog betoverd was? Ik denk aan mijn vroege jeugd, begin jaren ’60, toen vissers nog eeltige kerels waren die roken naar hun koopwaar. Maar in de echt oude tijd, die eindigde in de negentiende eeuw, ging je de vis zelf halen, aan de kust. Dan reisde je langs de zoom van deze hoge zandrug. Niet erover, want daar groeide eerst oerwoud met wilde dieren en later barre heide met alleen mulle zandpaden. Per boot was het beste, want lopen ging te traag en paarden waren schaars en duur.

Zoetjesaan volgde je de kabbelende watertjes stroomafwaarts, tot je eindelijk het ruime sop zag, met scheepjes deinend in de branding en op stoepen van beschilderde huisjes netten knopende vissersvrouwen en meeuwen die krijsten rond manden met spartelend zeebanket. Na een stevig gesprek mocht je, nadat je wat muntjes in een vettige vissermansklauw had geduwd, er wel wat van meenemen. Je was met vrienden, want vis moet je gelijk eten en culinair plezier is om te delen. Onder overhangende wilgen trok je het bootje op het zand. Rond het vuur, met brandewijn en knapperige in boter gebakken zeelt, speelde je luit en zong je tot de zee donkergrijs werd en de hemel zwart, met een grote maan als een spookachtige lampion.

Vroeger had niemand in het binnenland een viskraam. Vis kocht en at je aan de Noord- en Zuiderzee, waar je het in alle dorpen kon krijgen, direct verkregen uit de netten. Vis wordt geboren, leeft en sterft in het water, en werd ook opgegeten bij het water. Maar in de gemotoriseerde viskraam die mij zo onelegant passeerde, is het de vissen hun trieste lot, om ingevroren na hun dood over de hogere gronden te hotsen, 50 meter boven zeeniveau.

Ook ik hots fietsend omhoog langs de provinciale weg die de Heuvelrug klieft en hoor de langsrazende auto’s. De gemotoriseerde viskraam is al weer ver voor mij, richting Spakenburg. Dat ligt niet meer aan zee. Net als op Urk en in Volendam houdt de stijfkoppige bevolking er vast aan dat wat de tijd onzichtbaar maakte, aan wat is geweest, maar nog sterk in hen voortleeft. Ze zijn nog niet helemaal onttoverd. Daarom vindt het meer gerationaliseerde deel van Nederland dat ze een beetje getikt zijn. Vissen doen ze hier nog steeds, maar ze zeilen niet meer nagewuifd door hun dierbaren het zeegat uit. Het zijn eerder gastarbeiders geworden die naar een buitenlandse haven vliegen om daar langere periodes te werken in varende visfabrieken die op een angstaanjagende schaal de zeeën leegroven.

Dankzij deze maritieme abattoirs kun je efficiënt bij de supermarkt netjes verpakte vis krijgen, ontdaan van kop, staart, vel en ingewanden en steriel verpakt. Maar dat hoef je niet te kopen. Je kunt die ontzielde lapjes links laten liggen en net als Urker vissers doen alsof de betoverde wereld er nog is. En dan is hij er ook echt ineens weer. Zelf trek ik eens in de zoveel weken richting de woelige baren om een ladinkje verse vis in te slaan. In Nederland zijn nog een stuk of tien vismijnen waar de vis gelijk vanuit zee op het land komt. Allemaal zijn ze veranderd in steriele pakhuizen. Maar omdat vis van zichzelf zo lekker smerig is, blijft hoe ze ook hun best doen, zelfs daar de eigenzinnige stank van rotte vis onuitwisbaar hangen.

En langs de oude kades waar het gras tussen ruwe basaltblokken groeit en waar zeepokken hun half onderwaterse mysterieuze levens leiden, krijsen nog altijd meeuwen en vliegen bij harde wind de schuimvlokken je om de oren. Daar bij de haven, die mythische plek in het Nederlandse onderbewuste, vind je restaurantjes en viswinkels die hun waar direct van de zee betrekken. Voor mij heeft Scheveningen de dichtstbijzijnde visafslag. Dus eerst moet ik de sterk verstedelijkte ‘Haaglanden’ achter mij laten en dan, in een haast vergeten hoekje, zijn daar ineens de oude havens met hun schreeuwende werklui en klossen touw, waar ten diepste niets is veranderd.

Misschien is het de sfeer of de onbetwistbare versheid, maar vis smaakt echt nergens beter dan daar. Of is het toch de magie van de plaats? Vlakbij de visafslag ben je even terug in de betoverde wereld.

Over Zilvervis

Zilvervis staat voor drs H.F. (Frank) Flippo (1962), journalist, historicus, (tekst) schrijver en schrijfcoach/docent. Auteur van 'Esoterie in begrijpelijke taal', ( maart 2013) en reisbundel Van het Pad (oktober 2017) Interesses: letterkunde, mythologie, filosofie, natuur.
Dit bericht werd geplaatst in Culinair, Cultuurhistorie, Ecologie en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.