Brief aan een vriend, 10 april 1996

33413594340_0fa05390ba_z

Foto: met dank aan Yellowstone National Park

Beste Karel,

Schrik niet, nu je zomaar, onaangekondigd, een brief van mij ontvangt. Ik heb noch rekeningen met je te vereffenen, noch oud zeer om op te komen rakelen.
Integendeel, onze omgang is beter dan die in tijden geweest is. De enige reden dat ik schrijf is mijn wens gelezen te worden, omdat mijn schrijfbehoefte nu eenmaal groter is dan dat ik mogelijkheden tot publicatie heb, althans op het persoonlijke vlak.
Publiceren kan ik natuurlijk, in de bladen waarvoor ik schrijf. Maar wat mij ten diepste beweegt, voegt zich maar ten dele in het journalistieke genre, temeer daar ook mijn opdrachtgevers daarvan de contouren vaststellen.

Een lichte onvrede is een goede reden tot schrijven. Die onvrede is niet altijd benoembaar en voorzover die dat wel is, wisselen de redenen. Vermoedelijk is hij van existentiële aard, met andere woorden: men moet ermee leren leven. Dit klinkt als een vreselijke ziekte, wat het natuurlijk niet is.  Het is alleen een gemoedstoestand, te vergelijken met de sluierbewolking die nu al een dag of tien boven onze contreien hangt en waarin slechts af en toe, als met tegenzin, een bleke zon doorbreekt.

Een tweede reden tot schrijven hangt nauw samen met de eerste. Zoals ik al zei in een eerder gesprek, “to piss one’s life away with talk” is nu niet precies hoe ik mij het leven voorstel. Voorstellingen zijn overigens zelden precies, maar ook de algemene toon is in mijn perceptie anders. Die mag ik inmiddels als bekend bij jou veronderstellen, zodat ik er niet over hoef uit te weiden.

Om nu het wegvloeien van levenswater binnen de perken te houden, ga ik over tot recapitulatie en het hoogst ijdele en meestal eigenaardige neerschrijven van ’s mensens individuele wedervaren. (Vergeef mij dat ik in deze brief bijna alleen over mijzelve praat. Een brief is geen gesprek, noch een telefonade. Een goede brief is altijd een monoloog. Van jou verwacht ik hetzelfde.)

Dus: wat vertelde ik de vorige keer, wat waard is in woorden te worden gevat? Ten eerste: een discussie met mijn zwagers nicht, laten we haar Ingrid noemen, over arbeidsethos en aanverwanten.
Ik vertelde bijvoorbeeld dat, toen de kolonisten het ongerepte Amerika ontsloten, zij zonder het te beseffen de Indianen hun voorstelling van geluk ontnamen. Hun geluk bestond uit een relatieve ledigheid, ongeveer die van de leeuwin die zich uitrekt in de zon, bespeurend dat haar eten bijna verteerd is, en loom rondspiedt op zoek naar een prooi.
Want wat deden de Indianen van de prairies: ze liepen achter kuddes buffels aan. Soms was er vee, soms niet. Was er geen vee, dan konden ze op zoek gaan, wat heel tijdrovend was. Beter konden ze wachten tot er weer een nieuwe kudde langs kwam. Duurde dat te lang, raakten de voorraden gedroogd vlees op, dan moesten ze wel opbreken en vertrekken op zoek naar voedsel. Dat gebeurde alleen als het eten op begon te raken. Dat kon niet anders, want wie te veel voorraad heeft, is niet meer mobiel. Zo iemand kan geen nieuwe voorraad aanleggen. Bovendien bederft gedroogd vlees op den duur.
De Indianen leefden dus met een fundamentele onzekerheid: is er morgen vers vlees, of niet?  Zal ik hier morgen nog wonen, of niet? Op een dieper niveau losten zij deze onzekerheid op door een basaal vertrouwen in eeuwige waarden: de solidariteit van de groep, de continuïteit van gebruiken, het geloof in Wakan Tanka, de de Grote Geest, en in de magie van de alomtegenwoordige cirkelvorm. Hun levenshouding was dus abstract of filosofisch, en onmaterialistisch.

De kolonisten wilden zich daarentegen op één plaats vestigen. Alleen door hard en gedisciplineerd werken kon men continu produceren, alleen door op een plek te blijven kon men voorraden aanleggen en door bezit aanzien verwerven. Het waren ploeterende calvinisten die meer streden, vaker ziek waren en, durf ik te beweren, ook ongelukkiger waren dan de gemiddelde prairie-Indiaan.
De grote ellende nu is dat door hun expansieve levenswijze, de kolonisten hun eigen ongeluk opdrongen aan hun omgeving. De buffels stoorden zich niet aan omheiningen; de kuddes walsten alles plat en maakten dus gebiedsafbakening onmogelijk. De kolonisten schoten daarom de buffels af, wat op termijn de nomadische levenswijze van de Indianen onmogelijk maakte en hen dwong tot een leefwijze die hen volkomen vreemd was en die tot hun ondergang leidde.

Nog altijd is het wantrouwen van cultuurvolken tegenover natuurvolken vele malen groter dan andersom. Zie ook de haat van gesettelde volken tegenover zigeuners en andere migranten. Alles wat rond trekt is potentieel een bedreiging voor wat gevestigd is. Ook ik ben niet blij als katten zomaar hun behoefte doen in mijn tuin, als wildvreemden zomaar aanbellen of erger, als een zigeuner in mijn tuin zijn tent zou opslaan of nog erger, als ik mensen die ik niet ken, ineens mijn huis zouden gaan bewonen.

Daarnaast is ook alles wat arm is een potentiële dreiging voor wat rijk is, en wat rondlummelt, een bedreiging voor de discipline van harde werkers. Rondlummelen mag alleen als je ervoor betaalt: op een terras of in een café iets bestellen is een geoorloofde vorm van rentenieren. Daklozen die met hun pilsjes op het stadhuisbordes zitten, worden al veel bedreigender gevonden.
Zo beschouwd, komt elk behoudzuchtig sentiment voort uit angst, en elk progressief sentiment uit nieuwsgierigheid, liefde en levensaanvaarding.
Ingrid heeft moeite met denken in beelden (of met denken?) en ze drukt zich ook maar moeizaam uit. Is zij gewoon dom? Ik vrees van wel, maar zo de hele mensheid dom is, en ik haar toch bemin, moet ik dus ook Ingrid in mijn armen sluiten.

Praten met haar is dan een exercitie in eigen kunnen, wat beter is dan ruzie maken en boos weglopen. Het is een voorbeeld van mijn algemene houding: hoe schameler de respons, hoe meer ik mij genoodzaakt voel, krullen te draaien van eigen makelij in de hoop begrepen te worden.

Natuurlijk was zij zich aan het afreageren…opgevoed in een strakke arbeidsmoraal, jong en onzeker, want keer op keer enthousiast begonnen en weer ontslagen, moest zij haar woede wel ergens op koelen. Niet erg nobel, maar wie is dat altijd en eeuwig?
Het enige wat mij echt ergerde, was de onmogelijkheid haar aan het verstand te peuteren, dat enkele tien-, of zelfs honderdduizenden werklozen in het niet vallen bij de monsterwinsten die het bedrijfsleven binnenhaalt en in veel gevallen uitsluitend ten eigen bate gebruikt. Dát is een grof schandaal, en niet dat enkelen, ondanks alles en met geringe middelen, verkiezen te genieten van hun leven.

Elke beschaafde brief, hoe mono-logisch ook, hoort in elk geval een verwijzing te bevatten naar degene tot wie men de brief richt. Los van het feit dat dit een algemene fatsoensnorm is, stoelt deze praemisse ook op werkelijke interesse. (Ik vrees hier wat al te wollig te worden, maar ik dacht: tegen een ex-student filosofie kan ik me onbelemmerd laten gaan)

Dus Karel, schrijf me wat jou beweegt. Al gaat het zes pagina’s lang alleen maar over boekhouden, als het onderhoudend is geschreven zal het me geen moment vervelen. En trouwens, ook al doet het dat, wat dan nog? Heb ik weer iets om over te zeuren in een volgende brief. Het ga je goed,

tot snel schrijvens,

Frank Flippo

Advertenties

Over Zilvervis

Zilvervis staat voor drs H.F. (Frank) Flippo (1962), journalist, historicus, (tekst) schrijver en schrijfcoach/docent. Auteur van onder andere 'Esoterie in begrijpelijke taal', (non-fictie verschenen maart 2013). Interesses: letterkunde, mythologie, filosofie, natuur.
Dit bericht werd geplaatst in Cultuurhistorie, Ecologie, Zilvervis en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s