Een knuffel in Largo Grande

Ontwaakt, verworpenen der aarde! Zo begint De Internationale en ook al is het reëel existerende communisme zieltogend, Castro’s Cuba is springlevend. Ontwakend in Playa Larga hoeft niemand zich verworpen te voelen, met de lome ochtendzon op het gezicht en een oestergeurige zee gemengd met aroma’s van mango en banaan…

Toch voel ik ook enige tristeza tropical maar dat is omdat ik word teleurgesteld in al te  naïeve verwachtingen.  Als ik een natuurgebied bezoek in de tropen, is dat nooit zonder de verwachting een majestueus primair tropisch woud aan te treffen. En als ik een gebied betreed oorspronkelijk bewoond door indianen, zal ik altijd, ook tegen beter weten in, elk moment verwachten een schitterend geklede inheemse mens tegen te komen. Beide zijn aanwezig op Cuba, maar ze vinden is een ander verhaal.

De sluimering van dit plaatsje met haar versleten vissershaventje werd in 1961 ruw verstoord door een invasie van veertienhonderd soldaten. Het merendeel bestond uit Cubanen die twee jaar eerder waren vertrokken uit onvrede met Castro. De CIA had ze getraind en bewapend. Hun plan lekte uit zodat Castro zich kon voorbereiden en alle aanvallers werden gedood of ingerekend.

Nog altijd ziet Amerika het Cubaanse regime het liefst vertrekken. De huidige president (2026) probeert het land uit te hongeren en de energievoorziening af te pakken in de hoop dat het systeem dan instort. Het is de eeuwige illusie van Amerika dat dit lukt door druk van buitenaf. Gepokt en gemazeld zal Cuba voortmodderen, want al sinds 1959 kennen ze niet anders dan bescheiden voorspoed en diepe dalen.

Largo Grande beleeft de zoveelste kalme ochtend in haar bestaan. Het dorpje kijkt onverschillig toe hoe wij, passanten, daar doorheen wandelen. Leven aan de Cubaanse zuidkust; oude boten, bouwvallige aanlegsteigers en een warme atmosfeer met landerige straathonden en traag rondbrommende vliegen.

Na het bruisende Viñales voelt Largo Grande als een luwte. Ik zou hier een luierende writer in residence kunnen zijn. Een ander deel van mij wil gelijk weg omdat nietsdoen het enige is wat hier overblijft. Cocktails lurken en naar de palmbomen kijken of naar de  straathonden die lopen te bedelen tijdens het eten. Op de keper beschouwd is het minder dan een schrijversfantasie, eerder behoefte aan rust na een maalstroom van indrukken. De vraag is wat ik ga uitvoeren op het moment dat die rust geconsumeerd is. Dat blijft hypothetisch omdat wij maar twee overnachtingen hebben en dan verder trekken naar Ciénfuegos, de meest Franse stad van Cuba.

Moeras van de Schoen

We kunnen na aankomst ons hotel niet vinden. Naambordjes ontbreken op de huizen. Ook de onbestrate wegen zijn naamloos. Onze chauffeur komt er achter door rond te vragen.   

Een mollige jonge vrouw doet open: “Hallo, ik ben Betsy”.  Ze heeft een charmante lach en draagt nauw sluitende felgekleurde kleding. Ze speelt niet nadrukkelijk de gastvrouw en daarom mag ik haar gelijk. Ze blijft dezelfde rustige en aardige dame, met een sensuele en melancholieke glimlach.

Touroperators nemen Largo Grande op omwille van een rustpuntje in hun reisprogramma. Reizigers die toch actie zoeken, kunnen naar  Ciénaga de Zapata. Dit grootste moeras in de Cariben met zijn zilte baaien, rotsen en mangrovebossen is ook bekend om flamingokolonie. Maar we zijn iets te vroeg in het seizoen daarvoor.

‘Zapata’ schijnt altijd interessant te zijn omdat er ook veel inheemse planten en dieren leven.  En er is een strand. De nieuwsgierigheid van onze dames is gewekt en omdat ik anders urenlang in een heel warm onderkomen in een heel warm dorp vast zit, ga ik mee. Ons guesthouse heeft geen airco en de luchtvochtigheid is bijna 100%; we waden er continu door een loodzware, stilstaande hitte.

Een taxi is snel geregeld.  Chauffeur Ramón bejubelt de pokdalige Cubaanse wegen omdat ‘onze auto’s er de samba dansen’. Zigzaggend met zijn oldtimer voegt hij de daad bij het woord. Eventjes, want we moeten een eind rijden. Op de radio schalt Diego de Avila, een aanstekelijke chansonnier. Ramon zingt luidkeels mee. Ineens stopt hij, loopt weg, stormt naar de berm en komt terug met vijf bloemen die hij in een handomdraai tot een boeket heeft geschikt. Zwierig buigend geeft hij het aan de dames. “Met complimenten uit Cuba!”  

We stoppen bij Punta Perdiz, een glamourloos strandje. Er is niets te koop, het is er smal en er is weinig beschutting. De enige luxe is dat we de enige bezoekers zijn. De zee is lauwwarm en zonder sandalen haalt een bader zijn voeten open aan de scherpe kalksteenbodem. Ik zoek de schaduw op van een strandhuisje terwijl moeder en zoon onhandig hun weg zoeken richting zwemwater. Vogels krijsen, zeepret klinkt op en de zee raast en rijst en daalt. Zo verstrijken de uren terwijl we de zon boven de Caribische zee zien zakken. Mijn katterige stemming verandert  langzaam in een milde euforie vanwege de weldaad van een stille dalende zon, fantastische reflecties op de eindeloze zee, het geruis van de wuivende palmen in de wind en de nauwelijks door menselijke geluiden verstoorde rust.

Cenote

De volgende ochtend rijden we dezelfde route omdat daar tegenover het bospad Sendero Enigma de las Rocas begint. Vooraf  stoppen we voor Rachel die ook mee wil.  Ze is een Amerikaanse backpacker met lange haren, een stralende lach en loopt in licht versleten kleren. Rachel vertelt ons hoe moeilijk het is als Amerikaan aan de vereiste papieren te komen en is dolblij dat het is gelukt. En ook tegen haar zijn de Cubanen zeer vriendelijk. De politieke agenda kan hen niet tegen elkaar uitspelen.

Jaime, onze natuurgids, is een vriendelijke kleerkast en semi-militaire kleding. Op zijn pet staat ranger. Hij zal ons door de mangroves leiden. Met stevige schoenen lukt dat over de messcherpe kalkrotsen. Dit gebied werd door de ongeschoeide inheemsen nauwelijks betreden Wel bouwden ze paaldorpjes aan de randen vanwege de hoge visstand.  

Vandaag groeien hier vooral jonge bomen van hooguit zestig jaar en dat klopt met de geschiedenis. Zestig jaar geleden verklaarde Castro dit gebied tot natuurreservaat. Ze troffen het in een onttakelde staat na een eeuw van roofbouw. Het kan best weer wat worden; veel inheemse planten en dieren zijn weer gesignaleerd. Het reliëf blijft bijzonder vanwege de grilligheid en de vele inhammen en cenotes (vrijwel ronde sinkholes in de kalksteen net als in Yucatàn, Mexico dat geologisch gezien een voortzetting is van Cuba.

De oevers van een cenote zijn loodrecht. Het is mogelijk af te dalen langs steile paadjes, maar beter is het te duiken of te springen en dat is wat de meeste zwemmers doen. We komen bij een cenote die daar ligt te glanzen als een blauw oog dat de hemel weerspiegelt en in dit hete weer uitnodigt om erin te zwemmen. Rachel, zoonlief en vrouwlief duiken er zonder aarzeling in. Ik voel mij op het vinkentouw: wanneer kunnen we weer verder? Meesmuilend bekijken de fitte en opgefriste zwemmers ons die niet durven.

Rusland en Cuba zijn al heel lang vrienden en daarom treffen we veel Russische toeristen, ook zwemmend in de cenote. Angstvallig vermijden ze oogcontact met herkenbare westerlingen. Ook onderling zijn ze koel vergeleken met ons; ze praten weinig en gedragen zich rustig. Slechts één keer deze reis heb ik contact met Russen; ik vraag hen een wissewasje over de menukaart in een restaurant. “Waar kom je vandaan”, vraagt de gezette besnorde man tussen zijn zwaar opgeverfde vrouwen. “Holanda”. De groep zegt mij verbaasd na, “Holanda…” en er volgt een bedremmeld zwijgen.

Hars

Na het zwemmen lopen we met Jaime verder het mangrovebos in. Feilloos wijst hij  in de wirwar van groen inheemse vogeltjes en grote gestreepte rupsen. Muggen bijten ons voortdurend en de bodem scheurt onze schoenen bijna aan flarden. Onder een opstaande steen is een spelonkje met vleermuizen. Voor mij is een halve minuut genoeg tussen de onrustig flapperende zwermen binnen. Ze zijn vergeven van de tropische virussen en ik wil niet dat de paniekerige diertjes mij krabben. Ik blijf ongedeerd.  Verderop is alweer een cenote met steile scherpe randen, de Cueva de las Peces.  Op de oever treffen we een bejaard Noors echtpaar dat een intense, aangename harslucht uitwasemt. Geen mugje komt in hun buurt, wat helaas niet geldt voor onze met gemeen insecticide besproeide lichamen.

Na terugkomst is Largo Grande minder sanssouci dan ik dacht want mijn dame kiest na thuiskomst direct het bed om daar ijlend van koorts en roerloos de rest van de avond te liggen. Met dochterlief bezoek ik het palmenstrand. We hebben ons net geïnstalleerd als een Cubaanse jongen die op een paar meter afstand ligt met zijn vrienden, opstaat en mij een strandvondst laat zien:  het wit uitgebeten skelet van een zeester. “Bijzonder he?”

“Mmm, mooi hoor”, antwoord ik zonder enthousiasme. Is hij gewoon spontaan of wil hij me iets verkopen? De jongen knikt en sloft weer terug naar zijn plekje.

Ik ga nu ook zelf wat speuren langs de vloedlijn en vind iets anders. Het is een schelp donker als de diepte waaruit hij komt, met gaten als uit vulkanische gesteenten gewrocht, alsof bellen borrelende lava erin uiteen zijn gespat. Toch was dit het pantser dat ooit een kwetsbaar weekdier zich aanmat als een jas die hij moeizaam aantrok en bleef dragen tot zijn laatste snik. Na het uitdoven van zijn bescheiden vlam is die hier op deze kust aangespoeld, een huid van weleer; harnas en karkas tegelijk.

‘Zullen we terug lopen?’ onderbreekt mijn gezelschap mijn gedachten. ‘Thuis’ houdt zij nog steeds het bed, al is het bij bewustzijn. Ze heeft geen trek. Die avond zwerf ik met mijn twintigers over de dorpse zandwegen, vergeefs op zoek naar lekker en gezond. Op het donker geworden palmenstrand straalt licht op de terrassen, de zee kabbelt fluisterend in het donker. We overwegen neer te strijken. De enige gasten zijn twee Nederlanders die met een huurauto zelf over Cuba trekken: ze zitten een pizza te eten met een horde bedelende honden en nieuwsgierig toekijkende dorpsjeugd om zich heen. We hebben hen al eerder ontmoet in Viñales; ook nu zijn ze onveranderd opgeruimd. ‘Gezellige beestjes hè, grijnst hij. En zij: ’Dit is onze avondshow, beter dan televisie.’

Nergens serveren ze groente, maar we hebben geen zin op onze schreden terug te keren. Dus wordt het een ander terras, helemaal aan de andere kant van het dorpje, een melige pizza Hawaii met cola. Het is er schemerig en verlaten ten worrdt overspoeld met harde feestmuziek van een feest verderop.

De volgende ochtend is mijn dame opgeknapt; ’s avonds kan ze aanschuiven voor het diner bereid door Betsy. Gestoomde courgette, wortel en maniok, smaakvol gegarneerd met banaan, mango en papaja op grote borden vanuit een keuken waar bijna niets werkt. Ze overladen haar met complimenten. Ze straalt.

Largo Grande

Hoeveel verdien je?

Na het eten komt Betsy’s vriend op bezoek, een gespierde man met harde ogen. Hij praat over zijn werk als manager in de toeristenindustrie en vraagt wat wij doen voor de kost en hoeveel wij daarmee verdienen, ook hoeveel wij hier betalen. Dergelijke onbescheiden vragen zijn vrij normaal in Cuba, maar het staat eenieder vrij daar al dan niet op te antwoorden. Al snel trek ik mij terug in ons slaapvertrek om op bed te lezen. Nog geruime tijd hoor ik hem praten.

Rusttijd is tussentijd. Gewoon de ogen sluiten en de wereld aanvaarden is het moeilijkste wat er is. Als alle gesprekken poëtisch waren, zou iedereen dromen. Het is echt mogelijk om gemeenplaatsen te vermijden en in plaats daarvan boeiend te converseren onder het uitwisselen van elkaars ervaringen en standpunten. Misschien gebeurde dat ook en was ik gewoon te moe om mee te doen.

 Nadat hij is vertrokken, is Betsy verdrietig. “Hij bleef erg lang hangen” hoor ik later. “Hij had het alleen maar over hoe je geld zou kunnen verdienen. Dat leek ook het enige wat hem interesseerde.”  Schept gebrek en economische druk de hollow man, of waren er altijd al hollow men en laten ze zich vooral zien in bepaalde omstandigheden?

Mijn eigen dame vertelde me na een gesprek met haar hoe Betsy verlangt, elders te zijn. We praten wat. Zij vindt Playa Larga saai. Liefst woont ze in Havana om van daaruit de wereld te bereizen. Ze zou willen reizen zoals wij. Dat realiseren is niet eenvoudig en een last die wij, die even twee nachtjes komen aanwaaien, niet spontaan zullen dragen voor iemand die we één dag kennen. Intussen reizen wij vrij rond en zijn wij vrijen in een land van onvrijen, wij die vrolijk in een oude Cadillac van hot naar haar gaan. Dagelijks ontmoeten wij in Cuba mensen die met hun ziel onder hun armen lopen omdat ze niets hebben, zonder werk zitten en geen kant op kunnen. Maar dit is Cuba. Misschien zijn er weinig plekken zo geïsoleerd als dit dorpje in de periferie van een land dat zelf een periferie is door haar regime.

Als we de volgende ochtend vertrekken probeert Betsy haar tranen te verbergen en kijkt verlegen als we dat zien. Bij het weggaan geef ik haar een knuffel.

“Dag Betsy. “

“ Dag…”

We zullen elkaar nooit meer ontmoeten.  Want dan moeten we opnieuw over die lange weg naar dit afgelegen dorpje waar niets is.  Largo Grande draait vandaag en in duizenden dagen hierna nog steeds haar rondjes in haar eigen stagnatie, in wolken van termieten.

Onbekend's avatar

About Zilvervis

Zilvervis staat voor drs H.F. (Frank) Flippo (1962), schrijver, journalist, historicus. Auteur van 'Esoterie in begrijpelijke taal', ( maart 2013) en reisbundel Van het Pad (oktober 2017) Interesses: letterkunde, mythologie, filosofie, biologie.
Dit bericht werd geplaatst in Reisverhalen en getagd met , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.