
Een tussenstop in het landschapspark van Viñales, Cuba, tijdens onze excursie door slordige tropische veldjes doorsneden met beekjes, terwijl aan alle kanten de beboste kalksteenkegels van Viñales’ beroemde mogotes oprezen.
Aan een lange houten tafel mochten we gaan zitten, uit de zon maar in een warme tropische luchtstroom die ons plezierig door de kleren woei. De sigarenboer nam ook plaats met zijn houten kist vol toebehoren. Mesjes, lepeltjes, spateltjes en schoffeltjes als een miniatuurset tuingerei, alles bedoeld om de sigaar in de juiste vorm te boetseren. En niet te vergeten een bundeltje gedroogde tabaksblâren. Aan de hand van dat laatste, na een uiteenzetting over groeien, oogsten en drogen, begon hij bladeren te snijden. Andere, dikkere, hield hij apart als dekbladen, met de soort vlotheid van routiniers die moeilijke klusjes eenvoudig doen lijken. Hij bereidde de rookwaar zo snel dat ik niet alle afzonderlijke handelingen in een keer kon onthouden. Op dezelfde manier onthoud ik niet waar de vingers van de pianist precies de toetsen raken bij het spelen van een meerstemmige en virtuoze melodie.
Na dit vingervlugge spel van deze tabaksgoochelaar lagen er ineens vijf sigaren. Met zichtbaar genoegen stak hij er zelf een op en schonk zichzelf er een glaasje rum bij in. Hij zette er ook nog koffie bij. “Rum, sigaren en koffie; alles wat een mens nodig heeft om gelukkig te zijn.”zei hij knorrend van genoegen.
Een voor een namen wij voorzichtig een trekje van een sigaar die we van hand tot hand lieten gaan. Zelf had ik voor het laatst een sigaartje gerookt met Oud en Nieuw omstreeks 2010. Ik was de bittere, aromatische smaak ontwend. Oh ja, die diepe, wat muffige smaak die een droog residu achterlaat op de tong. Minder scherp dan van een sigaret maar met meer ambiance. Ik nam nog een trek. Deze was vrij zacht van smaak, bijna zoet, en nauwelijks irriterend voor mijn voor astma ontvankelijke luchtwegen. Dat wrange mondgevoel na het roken deed mij verlangen naar citrus, maar een sinaasappel of mandarijn was niet voorhanden. De andere proevers, ook geen sigarenrokers, vonden de sigaar ‘vreemd maar lekker’. ‘We gaan thuis een keer een Cuba-party houden met onze Cubaanse koffiekopjes en een fles rum en daar trakteren we onze gasten dan op deze sigaren.’
We kochten ze alle vijf, ook al waren ze te duur voor deze ongemerkte variant, want we zaten in een toeristenval. Op deze ‘sigarenplantage’ zag ik niemand bezig met het gewas en ook geen tabaksakkers, maar wel uitgebreide horeca waarin wij de enige klanten waren. De economie hier waren wij, niet het produceren van rookwaren.
“Dit zijn de beste sigaren ter wereld” verklaarde de tabakkenist plechtig. Door alle vergelijkende warenonderzoeken en mijn abonnement op de Consumentengids ben ik mijn naïviteit op dit gebied allang kwijt dus ik kon hem onmogelijk geloven. Wel denk ik dat elke tabaksplant die je in dit meest ideale tabaks-microklimaat op aarde in de grond steekt, op zijn minst aardige sigaren oplevert. En ik vond deze sigaar lekker.
Maanden later deed de gelegenheid onze Cuba-party te houden zich eindelijk voor; op ons feestje zouden we een tiental vrienden uitnodigen die net als wij bereisd zijn en voor eeuwig nieuwsgierig naar nieuwe smaken. Voor we dit dezen, haalden we de sigaren uit de boterhamzakjes waar we ze in hadden gestopt om te voorkomen dat ze uitdroogden.
Dat was niet meer de subtiele geur van maanden geleden; wat er nu vanaf kwam, hield het midden tussen natte kranten en vuile sokken. Exit sigarenparty. Eén ding wisten we zeker: er waren geen conserveermiddelen gebruikt. Elke puur natuur bos bloemen verandert na een week in puur natuur compost.