Love you madly

Bron: MattPage, Flickr

Bron: MattPage, Flickr

(Door Frank Flippo)

Het is loeiwarm op deze examendag in het Land van Saeftinghe.

De zon brandt en mijn keel schrijnt van de dorst, maar ik blijf hakken en slijpen tegen de klippen op. Om mij heen hoor ik andere deelnemers hijgen en steunen. De geur van hars ligt zwaar over het veld, houtsplinters vallen, houtkrullen waaien in het rond. Af en toe klinkt een schreeuw wanneer iemand zich snijdt.

Ik voel de blik van een jurylid en kijk opzij. Suzanne met haar lange zwarte lokken. “Je vlot aardig,” zegt ze spottend. “De achtste plaats haal je zeker.”

Na het snijden moet ik nog verven, beitsen, afwerken. Onder mijn handen verrijst uit een blinde stronk een fier godengezicht. Eerst uitdrukkingloos, maar mijn flitsende mes legt schaduwen over wangen, lippen en wenkbrauwen. Mijn handen blazen bezieling in roerloze gelaatstrekken waar anderen slechts neuzen, lippen en ogen wrochten. Ik ga langer door dan de anderen, tot ook ik loom word. Als ik mijn mes eindelijk neerleg, tikt de klok de laatste minuten weg. Knipperend tegen het zweet kijk ik naar het werk van de anderen. Ik vind het niet meer dan etalagepoppen. Maar de anderen hebben toch dezelfde leerschool doorlopen als ik? Hoe kunnen ze dan nog steeds alleen maar buitenkanten maken? Ik voel mij geen kunstenaar maar demiurg: iemand die de chaos bezwangert met het vuur van zijn ziel en die uit de ongeordende rommel van deze wereld levende en eeuwige kunst schept. Ach, niet veel mensen zullen dat erin willen zien. Wat maakt het uit, zo lang ik zelf tevreden ben?

Een stem onderbreekt mij. Suzanne kijkt me aan. Ditmaal voel ik een schok. Ik zie haar zomerjurk met de blote knieën. Haar tengere lichaam is volkomen verleidelijk. Zo gauw ik haar blik beantwoord, kijken haar ogen van me weg. Ze mompelt: “Bij jezelf blijven. Niet te snel jezelf verliezen.”

Plotseling kijkt ze zakelijk en ze zegt toonloos. “We verzamelen op de terp daar, voor die oude hut. Daar is de prijsuitreiking.” Mij houdt ze niet voor de gek met haar gejaagde ademhaling. “Ok, dus ik kan het daar al neerzetten?” Voorzichtig pak ik de natte godenkop. Ruisend door het gras, wadend door een zee van hoge grashalmen loop ik naar de hut. Terwijl de aren heen en weer wiegen, voel ik haar ogen in mijn rug prikken.

Mijn onderwerp vindt de jury niet eigentijds genoeg en te excentriek voor algemene waardering. Is dat zo? Die krachtige kop is niet alleen mooi; zijn blik maakt vrouwen slap in de knieën. Ik mag hem even toelichten. “Een bosgod. The Green Man zeggen Engelsen, Pan zeggen de Grieken. Maak ervan wat je wilt.” Mensen knikken, zeggen niets. Deze verkiezing is vooral een erezaak; voor de prijs hoef je het niet te doen.

Terwijl het publiek plaats neemt op dekens voor het avondeten, nestelt Suzanne zich tegen me aan. “Jouw kop is toch het meest sprekend,” zegt ze. Iedereen wordt rustig nu de uitslag bekend is en even later ook de magen gevuld zijn. De ergste hitte van de dag is voorbij. Kaarsen worden in flessen gestoken en om de vlammetjes dansen de eerste nachtvlinders. In de lage zon lijkt de kop nog sprekender. Ik voel de warmte van haar lichaam door de dunne stof. “Proost.” Wijn klotst in glazen. Net als we tegelijk een slok nemen, wil een haveloze man met me praten. ”Sorry dat ik het zeg, maar ik word een beetje eng van die kop van jou.” Hij wijst op de houten kop, die uitdagend terugstaart. “Die kijkt me zo aan. Mag ik hem omkeren?” Hij strekt zijn armen al uit, hij is van de categorie: “Mag ik binnenkomen?”, om dan direct de deur open te doen en verder te stappen.

Ik veer overeind en maak aanstalten om hem weg te duwen, ik ben al bijna bij hem. “Blijf af,” zeg ik scherp, “hij is nat! Laat staan, dan kan hij drogen in de zon.” Net voordat ik hem bereik, en net voordat zijn handen bij het beeld zijn, draait hij zich abrupt om druipt af.

Ik kijk nog eens goed naar mijn creatie. Om zijn volle lippen speelt een lichte glimlach. Die heb ik er niet ingelegd; vreemd hoe een werk soms zijn eigen vorm kiest.

Ik keek naar Suzannes gezicht en denk: Wat zijn de woorden op wat eerst jouw tabula rasa was? Hoe wandel je door dit leven, blijmoedig of wrokkig? Als op afspraak kijkt zij terug. Haar ogen hebben een voor mij nieuwe tint, een curieuze mengeling van mooi en duister. In gedachten nader ik dit duister. Er schuilt iets vreeswekkends in, als een dreigende deur waar ik niet achter kan komen. Dan verbreekt zij zelf de betovering door haar hoofd te draaien. Ze maakt zich los en staat op om nog een kaars te pakken. Haren wapperend in de wind, haar jurk golft om haar benen. Nooit vergeef ik het mezelf als ik haar laat lopen.

We zwijgen. Een vuurtje knettert, naderende roeispanen maken plonzende geluiden. Het is een flinke schuit die vanzelf afremt in het overvloedige riet. Iedereen past er met gemak in. Als enigen blijven wij zitten. Als de bootsman ons komt halen zegt ze:

“Laat ons maar hier. Zo lang we wat dekens mogen lenen.”

Wil ik dat? Ik ken haar niet eens. Ik hak de knoop door. “Ga maar,” zeg ik tegen de weifelende bootsman.

“Morgenochtend tegen tienen kom ik hier visnetten innemen. Zal ik jullie dan gelijk ophalen?”

“OK, tot dan.”

Weg is hij. Even later klinken de trage slagen van de spanen en wegstervend geroezemoes. De misthoorn van een roerdomp benadrukt de gonzende stilte.

We verzamelen de achtergelaten fleskaarsen, steken die weer aan, en slaan dekens om. En beginnen te zoenen, en te tasten, dieper, naar intiemer plekken, tot we alles vergeten in het feest van de liefde.

Holletje nacht ontwaak ik door een ijselijke gil. Suzanne ligt sidderend naast me. “Ga weg,” roept ze. “Ga!” Ze heeft haar ogen dicht. Ik duw haar, zij duwt terug. Ik blijf doorgaan. Eindelijk wordt ze wakker, alsof ze van heel ver komt. Langzaam doet ze haar ogen open. Even blijft haar gezicht roerloos, dan glimlacht ze. “Wij zijn hier, samen.”

“Wat droomde je?”

“Ik weet nooit wat ik droom. Maar hem vind ik eng.”

Ze wijst op mijn beeld. Ik vind hem eerder onverklaarbaar. Om de mond zit een enigszins onprettige glimlach. De mond staat spottend, sardonisch. Ik voel de dwingende kracht die ervan uitgaat. Heb ik die er zelf ingelegd?

“Eens kijken hoe Japie er morgenochtend uit ziet, Suzanne.’’

En, tot het beeld: “Gedraag je. Anders draai ik je om.”

Ze kijkt alsof ze mijn houding niet leuk vindt, maar ze zegt niets en slaapt al snel zonder morren weer in.

De volgende ochtend zie ik bij het wegvaren een grote oehoe weg fladderen van de hut. Die beesten kunnen nogal krijsen. Vanaf de voorplecht kijkt Pan ons strak aan. Het lachen is hem vergaan.

“Ik moet nog naar mijn ouders,” zegt ze nog voor we aankomen. “Het zijn kunstliefhebbers en erg benieuwd naar gisteren. Kunnen ze gelijk jouw kunstwerk zien.”

Na een dag als gisteren ben ik liever een dag op mezelf dan direct op visite te moeten. Toch schuif ik een uur later op de thee bij hen aan, twee broze oude mensen. Als Suzanne even weg loopt, zegt haar vader: “Ze gaat opruimen. Dat doet ze altijd als ze bij ons is. Ze kan slecht tegen rommel. Dus jij hebt ook meegedaan? Waar is je kunstwerk? “

Ik pak het. “Middeleeuws geïnspireerd? Hoe heet dat ook weer, De Wilde Jager? De Groene Man? Zo, die vent heeft echt uitdrukking zeg. Kopen?”

Normaal gesproken doe ik dat niet met nieuw werk, maar Pan bezwaart me.”Goed.”

De koop is snel gesloten. Vader moet er nog wel iets bij zeggen: “Mooie kop, maar hij kijkt me wel heel erg aan. En ik ben een wispelturig iemand, ik kan er zomaar ineens weer genoeg van krijgen. Wil je dat ik het in dat geval weer aan je teruggeef?”

Ik krijg een visioen van een eng hoofd dat door de jaren heen via de vreemdste dwaalwegen steeds naar mij blijft terugkeren, en schud beslist mijn hoofd.

“Hoeft niet. Gooi anders maar in de haard.”

In ruil krijg ik een bedrag waarvan ik mooi op vakantie kan en dat wil ik direct. Met Suzanne.  Een maand lang reizen we door het land van de liefde. We zwemmen in meertjes, wandelen over eindeloze korenvelden, mijmeren urenlang tussen de veldbloemen. Na de eerste weken is de verliefdheid over. Gaandeweg kan ik haar aantrekkingskracht minder rijmen met haar vreemde angstaanvallen. Ik kan haar gedrag gewoon niet meer plaatsen. Ze heeft het maar over een hoofd dat haar ‘s nachts aanstaart en achtervolgt. En ze zegt dat het dat beeldhouwwerk van mij is.

“Wat wil die kop dan van je?”

”Weet ik niet. Soms praat hij tegen me.”

“Waarover?”

”Ik versta het niet. Het is Grieks.”

Steeds vaker valt ze stil middenin een zin en staart me dan apathisch aan, niet in staat iets te zeggen of te reageren. Dat gaat dan minutenlang door. Als ik later vraag waarom ze zo raar doet, kan ze dat zelf ook niet verklaren. En als ik vraag: waar denk je dan aan, dan zegt ze: “Aan helemaal niets. Volgens mij denk ik op dat moment niet eens.” Ze begint ook kinderlijke spelletjes te spelen. Zeg ik: dat smaakte heerlijk, dan herhaalt ze mijn zin. Als ik vraag: waarom praat je me na, dan herhaalt ze dat ook. Ik stop dan maar. Daarna kijkt ze mij altijd triomfantelijk aan, met een blik van: wie is hier nu eigenlijk de gek?

Van al haar onhebbelijkheden zijn haar nachtmerries het moeilijkst te verdragen. Verstrikt in haar dromen, is ze ’s ochtends ontroostbaar. Ze laat haar hoofd dan hangen en huilt mijn shirt nat. Vragen wat haar zo verdrietig maakt, heeft geen zin. Het lijkt alsof ze diep in die andere wereld, erg gekwetst is door iets of iemand. Waarom opent ze die dichte deur niet voor mij?

Als zij daar zit in een van haar apathische buien, star en betraand, is geen contact mogelijk. “Hoor je me?” Ze knikt dan.”Ik zou je graag helpen, zeg ik dan. Dat lukt alleen als je het zelf wilt. Je hoeft niet in het donker te blijven, hoor je? Zie je me?” Ze knikt dan. Als ik dan vraag: “Wat zie je daar aan de andere kant?” schokschoudert ze.

Uiteindelijk geef ik het op. Ik ben kunstenaar, geen psycholoog. Hoe meer ze gaat lijken op iemand van een andere planeet, hoe meer ik haar zo bekijk. Maar ook al kan het fascinerend zijn naar een alien te kijken, je deelt er liever niet je bed mee. Ik huiver een beetje van haar. Haar ogen zijn mooi als altijd, maar ons contact is weg. Die bijzondere elektriserende energie die we deelden lijkt voorgoed vervlogen.

Uiteindelijk bereiken we in Zuid- Frankrijk haar tantes huis, waar Suzanne meestal verblijft. We genieten er van de Provençaalse cuisine en van het uitzicht over de lavendelvelden. Alles wat we eten komt van tantes eigen land. Ze kan voortreffelijk koken. Ons ontbreekt het aan niets, maar omgekeerd heeft tante maar weinig aan ons, want wij zijn zwijgzame en in onszelf gekeerde logés. Al na twee nachten breken we op, bedanken tante hartelijk en nemen de sneltrein naar huis.

Het duurde niet lang of ook Suzannes vader kreeg nachtmerries. Hij droomde dat hij door zijn schemerige huiskamer liep waar de kop onheilspellend oplichtte. Als hij zijn ogen sloot verdween het interieur, maar de kop bleef hij zien. En als hij zich omdraaide, voelde hij de ogen in zijn rug boren. Op een avond gloeide de kop heviger dan anders en hij rook zelfs een brandlucht die hem wakker maakte. Hij zat recht overeind, de brandlucht was er nog. Hij stommelde naar beneden. De kop stond te smeulen. Waar de ogen zaten, gloeiden kooltjes. Hoestend maakte hij licht, deed ovenhandschoenen aan en een zonnebril op tegen de lichtgloed en nam een kloek besluit. Hij maakte de haard aan en gooide gelijk de kop erbij. Verrek, te groot. Hij haalde zijn bijl uit de schuur en sloeg met twee, drie slagen dat slappe waaibomenhout zo  in stukken stukslaan. Tijdens het hakken nam de druk op zijn oren toe. Snel ontstak hij het vuur. Het gegons werd luider, dakpannen rammelden. Toen herkende hij de tekenen van een opkomende storm. Een sterke zuiging trok in de schoorsteen. De vlammen laaiden hoger dan ooit, de vonken spatten de schoorsteen uit. Voor de kop verteerd was, vlogen de brandende stukken de schoorsteen uit, de slurfwolk in. Een hoop roet en rommel, maar de uiteindelijke schade viel mee. Hij voelde zich intens vermoeid, maar opgelucht.

Als twee vreemden komen we in Nederland aan. Wel zijn haar dromen opgehouden, na die stormnacht toen ze haar ergste angstdroom had. Ze krijste de hele camping bij elkaar, we werden bijna van het terrein gegooid. De dag daarna was ze apathisch. Ze blijft zo gek als een deur, eigenlijk getikter dan ik had ingeschat. Ze praat verward, er valt geen touw aan vast te knopen.

Haar aandoening heeft in die weken een ander mens van haar gemaakt. Als je toevallig iemand op vakantie tegenkomt, ben je dan verplicht de rest van je leven te wijden aan haar verzorging? Niet dus. Zij heeft haar lichaam uit vrije wil gegeven. Ik wilde van voren af aan als vrij man terugkeren. Langdurige liefde was nooit mijn uitgangspunt.

Dus ik breng haar terug naar tante waar we op haar achterbalkon zo heerlijk aten. Tante die geiten hoedt achter het rustige dorp en die haar nicht het liefste van alles in de wereld bij zich wil houden.

Suzanne niet. Die wil met mij naar de grote stad. Maar haar aandoening maakt de geringste chaos al een hel. Daar rust geen zegen op. Bij ons afscheid schreeuwt ze hysterisch. Ik hoop voor haar dat ze er weer overheen komt. Ik moet nu de episode-Suzanne loslaten.

Ik blijf de baas. Mijn kunst is mijn alles, sterker, mijn kunst ben ik zelf. Binnenkort is weer een competitie. Ik zal mij aan het eind volkomen gesloopt voelen, maar het wordt een kop als nooit tevoren.

 

Advertenties

Over Zilvervis

Zilvervis staat voor drs H.F. (Frank) Flippo (1962), journalist, historicus, (tekst) schrijver en schrijfcoach/docent. Auteur van onder andere 'Esoterie in begrijpelijke taal', (non-fictie verschenen maart 2013). Interesses: letterkunde, mythologie, filosofie, natuur.
Dit bericht werd geplaatst in Literaire onderwerpen, Overig, Spiritueel, Verhalen en getagged met , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op Love you madly

  1. Rob Alberts zegt:

    Met ontzag gelezen, vreemd genoeg wil ik zo’n Kop wel in mijn tuin hebben.

    Bewonderende groet,

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s