
‘Wat woorden al niet kunnen doen” zei een vriend eens vol verbazing toen ik hem ‘De Betoverde Bruidsnacht, een schimmenspel voor stemmen’ liet lezen van Jacques Hamelink. ‘De Droom van de Poëzie’ is een ander werkstuk van deze fantastische schrijver die ons helaas is ontvallen. De Betoverde Bruidsnacht is een theaterstuk met raadselachtige inhoud; een mengeling van een heksensabbat en een trouwerij met in de hoofdrol de oude en tandeloze Elvira Serafina Hunnebed. Een werk zoals er maar één keer een gemaakt wordt. Deze tweede blogpost van 2025 gaat over de betovering die woorden kunnen oproepen en die eigen is aan poëtische taal en aan dichtkunst.
Goede poëzie kan iedereen betoveren, hoor je weleens maar ik waag dat te betwijfelen. Zoals iedereen die mensen kent, en die zijn niet met weinig, die ten enenmale volstrekt ongevoelig zijn voor religieuze vervoering van welke aard dan ook, zijn er ook velen bij wie poëzie niets doet. Al is het wel zo dat als je de dichtkunst wat breder definieert, het potentiële publiek gelijk ook een stuk groter wordt. Maar de hele mensheid omvatten lukt nooit. Die wat bredere begripsomschrijving begint als je bij poëzie ook songteksten insluit van populaire liedjeszangers en popgroepen. Bepaalde genres en individuen kunnen steevast rekenen op een grote en trouwe aanhang, al zij hierbij aangetekend dat hun aantrekkingskracht lang niet altijd toe te schrijven is aan de teksten die daar uit komen en in veel gevallen de redenen diffuus zijn en bijna onmogelijk te scheiden van andere aspecten.
Dit gezegd hebbende, denk ik dat de aantrekkingskracht van poëzie net als de aan haar verwante muzikale kunsten eeuwig is en universeel. Idealiter sluit een gedicht aan bij de gemoedsbeweging van het ogenblik, of bij het weer en het seizoen. Ik citeer uit Martinus Nijhoffs Het Lied der Dwaze Bijen:
| Niemand kan van nature zijn hartstocht onderbreken, niemand kan van nature in lijve de dood verduren. Steeds heviger bezweken, steeds helderder doorschenen,steeds heviger bezweken naar het ontwijkend teken, | |
| stegen wij en verdwenen, ontvoerd, ontlijfd, ontzworven, stegen wij en verdwenen als glinsteringen henen. Het sneeuwt, wij zijn gestorven, huiswaarts omlaag gedwereld, het sneeuwt, wij zijn gestorven, het sneeuwt tussen de korven. |
Ja, hadden we maar sneeuw. Een futiele en veelgehoorde klacht hier op de Blue Monday van januari. Sneeuw, de kroon op de ijstaart van Koning Winter die zich op dit moment andermaal groen, nat en grijs toont, ongeveer zoals een Engelman zijn vaderland eens omschreef: een groen-grijs ding in zee met regen erover.
Nu de Nederlandse natuurwereld op zijn rustigst is, is het ook voor mij de meest introverte tijd van het jaar- ik lees meer en bewonder eerder kunstwerken en letteren dan dat ik mij buiten vergaap aan het moois dat ook nu te vinden is. Bevriende natuurliefhebbers juichten afgelopen week in vele tonen over het op veel plekken aangetroffen ijsbaard of ijshaar in de bossen: ragfijne draden ijs op afgestorven takken; bevroren vocht dat immer werkzame schimmel omhoog duwt door de poriën van het dode hout en de winter die daar baardachtige ijssculpturen van maakt die zo teer zijn dat ze al breken en smelten als je er alleen maar tegen blaast.
De prachtige foto’s nam ik bewonderend in mij op, maar ze konden mij niet bewegen de ijzige kou in te gaan. IJsbaard floreert bij temperaturen rond het nulpunt en een maximale vochtigheidsgraad. Laat dat nu juist voor mij een hoogst onaangename weersomstandigheid zijn. Maar ik gun ieder het plezier van het in jas en wanten aanschouwen van dit wonder.
Omdat deze blogpost over de betovering van woorden gaat, citeer ik uit een oude scheurkalender. Hij dateert uit de jaren tachtig. Ik schafte hem aan omdat het betreffende jaar precies de dagindeling heeft van 2025 en ik tussen kalenders ontworpen voor dit jaar bijna alleen maar oppervlakkige producten aantrof. Veertig jaar geleden kwamen hooguit tien scheurkalenders per jaar uit, nu nadert het de honderd en de kwaliteit lijkt evenredig verdund. Ik twijfelde nog tussen de psychologie of de filosofiekalender als gunstige uitzonderingen, maar het was poëzie wat ik verlangde.
Hier een korte bloemlezing uit de afgelopen weken:
Verdwenen zijn het stof, de hersenspinsels van gisteren, de bange, doffe zorgen. Het jaar ligt nog in verse, witte windsels. Hier heerst de vrede van een nieuwjaarsmorgen. (Gerrit Komrij, Van de seconde die een eeuw wil zijn, 1 januari)
Dit zou de aarde moeten zijn, een kamer na Kerstmis nog naar dennenaalden ruikend en drijvend in een meer van suikersneeuw; daar, waar men alle harten kan tezamenbinden en als mooiste bloemenruiker schenken aan het mooiste jaar van deze eeuw. (Paul Snoek, Nieuwjaarswens)
een broze riethalm breekt. Vogel die half luisterend naar ’t woelen van een verre vis en halfbevroren van gemis de snavel in de veren steekt (Hans Warren, Reiger)
Na bonte feesttijd breekt het witte licht van sneeuw en ijs van onder uit de aarde; De schijnsels zijn van omgekeerde waarde: de lucht is grauw en loodzwaar van gewicht. (Simon Vestdijk, Nieuwjaar)
‘k Heb je mijn wens niet vroeger durven sturen. Maar nieuwjaar blijft heel januari duren. Hier kom ik dan en zoen en zeg je stil: ik wens je langzaam, langzaam weer april. (….) April, de bloem waar hij zoveel van hield, die zijn penseel zo teder heeft bezield- laat straks april je hart weer kleuren. Zo zal zijn laatste werk gebeuren. (Johan Daisne, Weduwe)
De grootvaâr Louwmaand duikt en krimpt in bonte vellen. Zijn rug bevriest tot ijs, van vore brandt zijn scheen. De handen schijnen lood; hoe sidderen zijn leên! Terwijl de Noordwest weet de watren te beknellen. Wien ’t lust, dat die, ten ijs, met sleên om snippen vaar’, ’t Is best, dat grootvaâr thuis den disch en haard bewaar’ (Joost van den Vondel, Louwmaand)
Een dag verdroomd in schemer over ’t bed; gedachten lieflijk en kleurig als de wolken; maar de gedachte aan u als sneeuw ver op de bergen, waaraan de barre wind zijn tanden wet. (Christine d’Haen, Winterdag)
Niets zo grijs als deze winterdagen motregengrijs onder een loden lucht, (…) onder de bomen die mistroostig druipen, en dan een borrel om een uur of vijf,- De kribbe leeg; Driekoningen voorbij; de ster gedoofd en ’t Narrenschip voorbij. (Harry Prenen, Januari)
Nu worden alle wegen grijs en droog en de geluiden buiten hard en hoog en snelle winden strijken langs de huiverende glazen- roerloze, beduchte, van mijn bevroren zichten zo schimmelwitte gestorven wanden van mijn huis- een koude dood wil door de daken blazen. Denk je dit in: de blikkersnelle vissen vroren roerloos vast, de slijmerige kikkers versmoorden in de stijve modder van de sloot want iedereen is dood. (Het lied van januari, J.B. Charles)
Tot zover; ook mijzelf acht ik niet onkundig in de verzensmederij (daarover later meer). Het heeft me nooit ontbroken aan ronkende beloften van hogerhand. Een sterk voorbeeld beleefde ik, analoog aan mijn tekening boven deze post, getiteld Hoorn des Overvloeds. In het ter ziele gegane warenhuis Vroom & Dreesmann snuffelde ik graag rond op de boekenafdeling. Een keer viel mijn oog op de Tarot van Isis. Tarot is een magisch kaartspel met toekomstvoorspellende kwaliteiten, zo wordt beweerd. Ik zei tegen mezelf: de kaart die ik nu, lukraak, uit dit spel zal trekken zal mijn toekomst bepalen.
Ik trok de Hoorn des Overvloeds. In de toelichting stond: Een bijzonder rijke, productieve en succesvolle toekomst als scheppend kunstenaar ligt in uw verschiet.